In deze verordening wordt verstaan onder:
a.bebouwde kom:
het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b.bevoegd gezag:
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
c.bouwwerk:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening 2003;
d.college:
het college van burgemeester en wethouders;
e.gebouw:
hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;
f.handelsreclame:
iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
g.openbaar water:
wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
h.openbare plaats:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties
i.rechthebbende:
degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
j.weg:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994
k. bromfiets:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
l. motorvoertuig:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
m. parkeren:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
n. voertuig:
hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen.