De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Er zijn twee mogelijkheden:
a. het persoonsgebonden budget voor diensten, zoals de hulp bij het huishouden;
b. het persoonsgebonden budget voor voorzieningen zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen.
A. Hulp bij het huishouden
Bij diensten, zoals hulp bij het huishouden, gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt jaarlijks door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld en aangepast aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in artikel 3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag zal moeten zijn.
Typen hulp bij het huishouden
HH1: alleen huishoudelijke werkzaamheden
HH1 veronderstelt dat de cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van activiteiten. Het betreft huishoudelijke werkzaamheden gerelateerd aan beperkingen zoals:
- schoonmaken van woonruimte, slaapruimte, keuken (dagelijks of wekelijks onderhoud)
- verzorgen van textiel (wassen, strijken) en onderhoud van kleding en schoeisel;
- assistentie bij zorg voor voeding (voorbereiden, afwassen, opruimen);
- bed opmaken;
- beperkte verzorging van huisdieren.
HH2: huishoudelijke werkzaamheden aangevuld met lichte ondersteuning in de huishouding
HH2 omvat naast de genoemde activiteiten binnen HH1 ook hulp bij de organisatie van de huishouding in verband met ziekte en beperking zoals:
- het plannen van huishoudelijke zorg (wie doet wat);
- aandacht voor hygiëne in huis;
- advies en hulp bij het kopen van levensmiddelen en het beheer van de levensmiddelenvoorraad;
- noodzakelijke opvang van thuiswonende anderen die tot het huishouden behoren.
HH3: huishoudelijke werkzaamheden met ondersteuning binnen de ontregelde huishouding
HH3 bevat naast de genoemde activiteiten binnen de HH1 en HH2 ook enige instructie en voorlichting die direct verbonden is met verzorgende activiteiten, bijvoorbeeld:
- sturing of stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten. Enige begeleiding kan dus deel uitmaken van “huishoudelijke verzorging” mits er sprake is van leerbaarheid;
- HH3 heeft in principe een tijdelijk karakter, de indicatie is geldig voor maximaal 3 maanden met de mogelijkheid dit éénmalig te herhalen;
- advisering van informele verzorging.
Bij de berekening van het persoonsgebonden budget is het inkooptarief van hulp in natura als vertrekpunt genomen. Dat betekent dat het basisbedrag van een persoonsgebonden budget 80% van dit tarief is, omdat een persoon met een persoonsgebonden budget geen overheadkosten heeft welke een thuiszorgorganisatie wel heeft. De thuiszorgorganisatie brengt als bemiddelaar tussen klant en het zorgkantoor administratieve kosten in rekening. Deze administratieve kosten bedragen ongeveer 20%. Deze brengen wij in mindering, omdat bij een persoonsgebonden budget deze bemiddelingskosten niet van toepassing zijn.
Het persoonsgebonden budget is dus gebaseerd is op het aantal geïndiceerde minuten hulp, afgerond op (halve) uren hulp bij het huishouden, vermenigvuldigd met 80% van de kostprijs per uur.
Werkgever of opdrachtgever?
De hulpvrager is werkgever als een arbeidsovereenkomst is afgesloten met een zorgverlener en de zorgverlener minimaal 4 dagen per week voor hem/haar werkt. Het maakt niet uit hoeveel uur per dag hij of zij werkt.
Is een arbeidsovereenkomst afgesloten met een zorgverlener en werkt hij of zij op 3 dagen per week of minder? Dan kan de zorgverlener bruto worden uitbetaald. De zorgverlener moet dan zelf de afdrachten aan de Belastingdienst betalen. Werkt iemand meer dan 3 dagen dan werkgever ook verantwoordelijk voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse verzekeringen, zoals doorbetaling bij ziekte of werkloosheid. In deze beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald worden.
Opdrachtgever is degene die een overeenkomst heeft afgesloten met partner, een inwonend familielid, een zorginstelling of een freelancer. Is een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer aangegaan dan zal het veelal gaan om een zzp-er .(een zelfstandige zonder personeel) De opdrachtgever is hierbij niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoeft geen afdrachten te doen.
B. Overige voorzieningen
Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de voormalige Wvg te weten: voorzieningen voor niet bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, vervoersvoorzieningen en onderhoud en reparatie en rolstoelvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden.
In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes staat in artikel 7, 13 en 15 dat het persoonsgebonden budget 90%van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening is. De waarde van de goedkoopst adequate voorziening wordt bepaald door de adviesprijs van de voorziening vanuit het kernassortiment.
Rekenvoorbeeld
Mevr. Geel krijgt een toekenning voor een handbewogen rolstoel. De gemeente koopt deze rolstoel conform de voorwaarde uit de Europese aanbesteding in voor €2.000,-. De adviesprijs van de fabrikant is echter € 3000,-. De hoogte van het PGB bedraagt 90% van de adviesprijs zijnde €3.000,- = €2.700,-.
Als er speciale aanpassingen of voorzieningen nodig zijn, dan wordt in die gevallen 90% vergoed van de adviesprijs van de voorziening die de gemeente in natura zou hebben geleverd.
De indicatie gaat altijd vergezeld van een programma van eisen waaraan de voorziening dient te voldoen. Dit programma van eisen maakt deel uit van de beschikking waarin een persoonsgebonden budget wordt toegekend.
In het persoonsgebonden budget wordt ook het bedrag voor onderhoud en reparatiekosten berekend. Dit zijn reële bedragen waar geen kortingen op van toepassing zijn. De bedragen voor onderhoud en reparatie zoals deze gelden voor de voorziening worden in het persoonsgebonden budget opgenomen.
C. Wanneer is er aanspraak op een nieuw Persoonsgebonden budget?
Hulp bij het huishouden
De hoogte van het persoonsgebonden budget hangt af van de indicatie. Het aantal geïndiceerde minuten wordt afgerond in halve uren en zo wordt bepaald hoeveel uren zorg er verleend moet worden. Zie hoofdstuk 1.4 onder a.. Het persoonsgebonden budget wordt slechts gewijzigd als de indicatie gewijzigd wordt. Dus als een nieuwe indicatie bepaalt dat men recht heeft meer uren zorg, dan zal ook het persoonsgebonden budget naar boven of naar beneden worden bijgesteld.
Overige voorzieningen
In hoofdstuk 1.4 onder b. wordt de berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget uitgelegd. Het recht op een nieuw persoonsgebonden budget ontstaat wanneer er in een nieuwe beschikking een programma van eisen is vastgesteld voor een andere of aanvullende voorziening.
Wanneer men een bestaande voorziening wil vervangen, en er geen nieuwe indicatie is vastgesteld, zal de voorziening aan vervanging toe moeten zijn. Daarvoor is een afschrijvingstermijn van 7 jaar bepaald. Dus als iemand een nieuwe voorziening wil en de indicatie is niet gewijzigd, dan moet de actuele voorziening in ieder geval ouder dan 7 jaar zijn. Is de voorziening na 7 jaar nog niet versleten en aan vervanging toe, dan zal er niet tot vervanging worden overgegaan en er dus geen nieuw persoonsgebonden budget worden verstrekt.
Maar als de afschrijvingstermijn nog niet verstreken is en de voorziening is wél aan vervanging toe, dan zal de reden daarvan onderzocht moeten worden. Dat onderzoek moet in ieder geval antwoord geven op de volgende vragen:
1. Is de voorziening gebruikt waarvoor deze gebruikt moet worden?
2. Is de voorziening goed onderhouden conform de afspraken?
3. Heeft de voorziening de reguliere periodieke service en onderhoudsbeurten gehad? Dit dient aangetoond te worden middels een service- en onderhoudsboekje.
4. Hoe intensief is de voorziening gebruikt?
Is de voorziening intensief gebruikt en heeft hij ook aan de andere voorwaarden voldaan, dan is het mogelijk via de hardheidsclausule een persoonsgebonden budget te ontvangen. Het spreekt voor zich dat als er bij de aanvraag enige twijfel is of het nog wel de geëigende voorziening voor de aanvrager is, er een nieuwe indicatie moet worden gesteld.
Indien nadat de afschrijvingstermijn is verstreken en de voorziening nog in goede staat verkeert, wordt er geen nieuw persoongebonden budget verstrekt. Dit heeft voor de aanvrager het voordeel dat er niet opnieuw een eigen bijdrage hoeft te worden betaald.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4
Omvang van het persoonsgebonden budget
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2011