Naar hoofdinhoud
A. Hoofdverblijf Artikel 19 van de verordening bepaalt in lid 1: Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 19 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel: 2 In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling. 3 De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend bij de gemeente waar de aan te passen woning staat. 4 De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes vast te leggen maximum bedrag. 5 Onder het bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken 6 Een woonvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woonruimte wordt slechts eenmaal verstrekt.. Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de verordening opgenomen. Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling, betreft het uitsluitend de in artikel 5 genoemde zaken, te weten, het kunnen bereiken van de woonruimte, de woonkamer en het toilet. Bereiken moet daarbij letterlijk opgevat worden: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken. Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een bovenwettelijke taak. In artikel 12 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes zijn de maximale kosten voor het bezoekbaar maken gesteld op € 5.000,-. B. Algemene beperkingen woonvoorzieningen Bij (woon) voorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de verordening. Voor een uitleg van deze algemene beperkingen wordt verwezen naar hoofdstuk 1. Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van de verordening). Welke woonvoorzieningen daartoe behoren, hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in bijvoorbeeld bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden beschouwd. Als algemeen gebruikelijk worden in ieder geval de volgende woonvoorzieningen beschouwd:  thermosstatische en eenhendelkranen (m.u.v. lange hendel);  verhoogde toiletpotten (alleen +6);  toiletgelegenheid op de eerste etage;  douche;  hangtoilet;  eenvoudige wandgrepen en beugels (30 cm);  centrale verwarming en thermosstatische radiatorkranen;  douchekop op glijstang;  keramische kookplaats;  meterkast met meerdere groepen;  deugdelijke zonwering;  wasdroger;  normale babyfoon/intercom. C. Overige beperkingen woonvoorzieningen Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen, zoals in de Verordening vastgelegd in artikel 2, lid 3 onder a. t/m h: 3. Geen woonvoorziening wordt toegekend: a. indien de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. indien de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. indien deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen; d. indien de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; e. indien de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar of woont in een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden; f. indien er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de aanvrager bewoonde woning; g. indien de beperkingen niet in de woning zelf, waaronder ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen, worden ondervonden; h. voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden, enz. In deze uitzonderingssituaties mag verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers. Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan gaat aan deze eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot afwijzing. Onder e. worden tevens beperkingen ten aanzien van woonvoorzieningen opgelegd als de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Bij de uitvoering van deze artikelen zal als volgt te werk worden gegaan. Bij een aanvraag om een of meerdere woonvoorzieningen door een persoon met een beperking die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt eerst onderzocht of de aanvrager actief naar een woning op zoek is geweest. Ook van mensen met een beperking mag verwachten worden dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en actief naar een woning zoeken. Dit geldt ook voor personen zonder beperking. De aanvrager moet aan kunnen tonen dat hij minimaal 6 maanden actief op zoek is geweest. Mocht dat niet of onvoldoende het geval zijn geweest dan kan de zoekperiode met 6 maanden worden verlengd. Is de aanvrager actief op zoek naar een aangepaste woning, maar was er gedurende de zoekperiode geen geschikte woning voor hem beschikbaar, dan heeft de aanvrager recht op de noodzakelijke woonvoorzieningen. De aanvrager dient voordat hij een huurcontract of koopcontract ondertekent eerst contact op te nemen met de gemeente. Gezamenlijk wordt eerst bekeken of de gewenste woning aan te passen is. Op deze manier voorkomt men teleurstellingen omdat in de praktijk blijkt dat bepaalde niet of tegen zeer hoge kosten aan te passen zijn. Onder f. wordt gedoeld op een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de door aanvrager ondervonden beperkingen in de woning en kenmerken van die woning die een verhuizing medisch noodzakelijk maken. Er is geen rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden beperkingen in de woning en de kenmerken van de woning als bijvoorbeeld de beperkingen het gevolg zijn van geluidsoverlast die de aanvrager in de woning ondervindt en het gevolg is van het gedrag van de bovenburen in de nachtelijke uren. Van een rechtstreeks oorzakelijk verband zou wel sprake kunnen zijn indien belanghebbende ook bij normaal woongedrag van de bovenburen geluidsoverlast zou hebben ondervonden. Onder g. wordt gedoeld op het feit dat de beperkingen in de woning zelf inclusief de toegang tot de woning zelf ondervonden moeten worden. Beperkingen die worden ondervonden in de tuin worden niet gecompenseerd, tenzij het beperkingen zijn die de toegankelijkheid van de woning betreffen. Hierbij valt te denken aan voorzieningen zoals ophoging van een toegangspad tot de woning. Onder h. valt te denken aan materialen zoals spaanplaat dat formaldehydegas bevat, halfsteensmuren op het westen die veel waterdoorslag geven en dus problemen met vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht eventuele beperking, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie beperking-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel