A. Algemene beperkingen
Bij (vervoers)voorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de verordening. Voor een uitleg van deze algemene beperkingen wordt verwezen naar hoofdstuk 1.
Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van de verordening). Welke vervoersvoorzieningen daartoe behoren, hangt af van de maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in bijvoorbeeld bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden beschouwd.
Als algemeen gebruikelijk worden in ieder geval de volgende vervoersvoorzieningen beschouwd:
- fiets;
- fiets met lage instap;
- spartamet;
- elektrisch aangedreven fiets;
- elektrisch aangedreven fiets en lage instap;
- fiets met trapondersteuning;
- fiets met trapondersteuning en lage instap;
- bromfiets- scooter;
- ligfiets;
- fietskar;
- aanhangfiets;
- autostoeltje.
Algemeen gebruikelijke autofaciliteiten zijn in ieder geval:
- automatische transmissie;
- elektrische ruitenwisser en sproeier achter;
- driepuntsgordels;
- hoofdsteunen;
- lendensteunen voorstoel, verstelbaar;
- kunststoffen bekleding;
- buitenspiegel, van binnenuit verstelbaar;
- elektrisch bediende portierruiten;
- neerklapbare of inklapbare achterbank (i.v.m. meenemen rolstoel);
- uitneembare hoedenplan (i.v.m. meenemen rolstoel);
- warmtewerend glas;
- achterruitverwarming;
- verstelbare stuurwielen;
- stoffen bekleding van stoelen;
- gelaagde voorruit;
- interval voor ruitenwissen;
- airconditioning.
B. Specifieke beperkingen
Bezit auto of daarmee vergelijkbare voorziening algemeen gebruikelijk
In artikel 25 van de verordening is een inkomensgrens gesteld waarboven het bezit van een personenauto of een daarmee vergelijkbare voorziening algemeen gebruikelijk wordt geacht. Deze grens is bepaald op 130% van het sociaal minimum. Aanvragers met een inkomen boven deze grens krijgen geen auto of een daarmee vergelijkbare voorziening. Met een auto vergelijkbare voorziening zijn bijvoorbeeld de tegemoetkoming in de kosten van vervoer per (rolstoel)taxi of een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto. Voor een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto algemeen gebruikelijk is, van de rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding uitsluitend het verschil tussen beide vergoedingen kan worden toegekend. Voor een autoaanpassing geldt dat bij een inkomen boven 130% van het sociaal minimum alleen de auto algemeen gebruikelijk is, maar de aanpassing niet. Dat wil zeggen dat als vergoeding uitsluitend de aanpassing kan worden toegekend of de aanschafkosten boven de kosten van de referentieauto (dat wil zeggen een auto die men normaal zou (kunnen) kopen)
Vervolgens wordt het jaarinkomen berekend, waarbij rekening wordt gehouden met de periode waarover het salaris wordt uitbetaald:
- salaris per maand x 12;
- salaris per week x 52;
- salaris per vier weken x 13;
- salaris per kwartaal x 4;
- salaris per dag x 260.
Als er sprake is van een wisselend inkomen, dan moet een redelijk termijn in acht worden genomen waarover het netto inkomen kan worden vastgesteld.
Het jaarinkomen van een zelfstandig ondernemer wordt bepaald aan de hand van de boekhouding over de laatste 3 boekjaren, tenzij dit inkomen geen juiste weergave biedt van het besteedbaar inkomen in het jaar waarin de aanvraag op grond van de verordening wordt ingediend.
Is sprake van aanvullende bijstand dan wordt uitgegaan van de bijstandsnorm, omdat bij de berekening van de bijstand al rekening wordt gehouden met alle mogelijk inkomsten en kosten.
Aan het jaarinkomen wordt het netto vakantiegeld toegevoegd, berekend conform de bijstandsregeling vakantietoeslag.
Het vermogen zelf is vrij. Inkomsten uit vermogen worden wel betrokken bij de vaststelling van de ruimte in het inkomen. De rente over het vermogen zal, als bedoeld in artikel 34, tweede lid, onderdelen b en c Wet werk en bijstand als inkomsten uit vermogen, worden vrijgelaten/ Het meerdere aan inkomsten uit vermogen wordt bij het netto inkomen opgeteld onder aftrek van 30% in verband met de (fiscale) vermogensrendementsheffing indien dit aan de orde is. Met deze rekenmethode wordt op een eenvoudige wijze en op een reële manier rekening gehouden met inkomen uit vermogen.
C. Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de eigen woon- of leefomgeving
1. Het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving
De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele instellingen.
Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen leefomgeving te kunnen
verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen buiten de eigen woon- en leefomgeving of een meeneembare scootermobiel, vallen in principe niet onder de compensatieplicht, omdat het gebruiksgebied buiten de gemeentelijke compensatieplicht vallen. Een zorgvuldige beoordeling zal duidelijk moeten maken of wellicht van de hardheidsclausule gebruikt zal moeten worden om in een individueel geval een uitzondering te maken.
Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Het zal niet vaak voorkomen dat een vervoersvoorziening uitsluitend voor recreatieve voorzieningen wordt aangevraagd. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Dit vervoer dient de instelling uit het daarvoor beschikbare budget te bekostigen. Maar als naast het recreatieve doel ook één of meer andere bestemmingen een rol spelen wordt de voorziening normaal tot de compensatieplicht gerekend.
2. Vervoer in verband met werk
Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Het is artikel 2 Wmo dat bepaalt dat dit niet onder de Wmo valt.
3. Vervoer in het kader van vrijwilligerswerk
Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad van Beroep gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt.
4. Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang of bezoek aan medische behandelaars
Het medisch vervoer (huisarts, ziekenhuis) behoort naar zijn aard tot de verplaatsingen die een persoon met een beperking in staat stellen om deel te nemen aan het leven van alledag voor zover gereisd moet worden naar bestemmingen die onder het lokaal vervoer vallen.
Voor medisch vervoer is er mogelijk aanspraak op een vergoeding via de Regeling zorgverzekering (ziekenvervoer). Er zal altijd moeten worden onderzocht of en in hoeverre de voorliggende voorziening voorziet in de medische vervoersbehoefte.
Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in principe niet onder de
Wmo-compensatieplicht. Veelal zal dit door de AWBZ vergoedt worden en dan geldt artikel 2 Wmo. Als gemeenten (of anderen) dagopvang opzetten dan gaat het om verplaatsingen die niet onder de AWBZ vallen en duidelijk tot doel hebben mensen te laten meedoen, zodat die verplaatsingen onder de compensatieplicht van de Wmo vallen. Aanvragen voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend) therapeutische karakter van de
dagopvang en de erkenning/financiering van de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader van het leven van alledag. De AWBZ zal dan verantwoordelijk zijn voor het vervoer.
5. Vervoer in verband met het volgen van onderwijs
Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen. Vanwege de werking van art. 2 Wmo zijn die andere regelingen verantwoordelijk.
6. Vervoer van kinderen door ouders met een beperking
Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking. Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Het naar school brengen van kinderen gebeurt vaak op tourbeurt door ouders en het valt niet in te zien dat ouders met kinderen met een beperking hier niet aan mee zouden kunnen doen.
7. Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners
Onder de Wmo is er geen wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente. Dat houdt overigens niet in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners.
Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig
wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen.
Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een winkel, kapper,
recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken valt voornamelijk aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereid. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een intramurale instelling kan bijvoorbeeld op basis van het Besluit maatschappelijke ondersteuning een gehalveerd persoonsgebonden budget voor vervoerskosten worden verstrekt. Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een grotere vervoersbehoefte is. Zorgvuldige beoordeling van de persoonlijke situatie ligt daarom aan de basis van het oordeel.
8. Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners
Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie. Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische taak van personeel van de instelling, in het bijzonder bij gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de begeleiding.
9. Weekendvervoer voor AWBZ-bewoners
Uitgangspunt is een gelijke compensatieplicht voor AWBZ-bewoners en overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de omvang van de compensatieplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van de bestaande jurisprudentie.
De reguliere compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel compensatieplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming - compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk beperkte AWBZ-bewoners van grote instellingen is deze situatie onder de Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond. Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het ouderlijk huis onder de compensatieplicht valt.
Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk huis.
Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt niet onder de
compensatieplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Dat is ook logisch, omdat dit het verplaatsen in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te boven gaat.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.3
Beperkingen
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemnes 2011