Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.4

Omvang van het persoonsgebonden budget

Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010

De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten worden. Voor het bepalen van het persoonsgebonden budget dienen twee mogelijkheden te worden onderscheiden: Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo per 1 januari 2007 alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. a. Hulp bij het huishouden. Bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden wordt eerst de omvang van het bruto persoonsgebonden budget bepaald. De eventueel verschuldigde eigen bijdrage wordt op het bruto persoonsgebonden budget in mindering gebracht. Resteert een netto persoongebonden budget. Bij diensten gaat het om de betaling van tijd aan dienstverleners. Dit is zorg afkomstig uit de AWBZ. De AWBZ kende al een dergelijk systeem van persoonsgebonden budgetten. Daarbij werd het persoonsgebonden budget vastgesteld op 75% van de tarieven zoals die berekend werden in de thuiszorg. Vanuit die tarieven werd het tarief voor de diverse functies bepaald. In de regio Gooi en Vechtstreek is via een Europese aanbesteding vanaf 26 januari 2009 het onderscheid tussen lichte zorg, het eenvoudige schoonmaak werk zoals poetsen, ramen lappen e.d. en de complexe zorg waarbij het gezin ondersteund en begeleid wordt om het huishouden draaiende te houden vervallen . Voor alle hulp (complex en eenvoudig) wordt één tarief gehanteerd. Bij de berekening van de hoogte van het bruto persoonsgebonden budget is voor de zorg, is het inkooptarief van hulp in natura van € 19,453 als vertrekpunt genomen. Dat betekent dat het basisbedrag voor het bruto persoonsgebonden budget 90% van dit tarief is, omdat een persoon met een PGB geen overhead kosten heeft welke een thuiszorgorganisatie wel heeft. De thuiszorgorganisatie brengt als bemiddelaar tussen de klant en het zorgkantoor administratieve kosten in rekening. Deze administratieve kosten bedragen ongeveer 10%. Deze brengen wij wel in mindering omdat bij een PGB deze bemiddelingskosten niet van toepassing zijn. Ook voor de overheadkosten is het verschil tussen eenvoudige en complexe zorg (overhead 25% c.q. 10%) komen te vervallen. Klasse 1: 90% van € 19,45 = € 17,50 x 1 uur x 52 weken = € 910 per jaar Klasse 2: 90% van € 19,45 = € 17,50.x 3 uur x 52 weken = € 2.730 per jaar Klasse 3: 90% van € 19,45 = € 17,50 x 5,5 uur x 52 weken = € 5.005 per jaar Klasse 4: 90% van € 19,45 = € 17,50 x 8,5 uur x 52 weken = € 7.735 per jaar Klasse 5: 90% van € 19,45 = € 17,50 x 11,5 uur x 52 weken = € 10.465 per jaar Klasse 6: 90% van € 19,45 = € 17,50 x 14,5 uur x 52 weken = € 13.195 per jaar Wordt er gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot additionele uren boven de hoogste klasse 6, dan wordt per uur een bedrag vergoed van € 17,50. Het werken met klasses heeft als belangrijk voordeel dat bij kleine wijzigingen in het aantal benodigde uren hulp bij het huishouden (binnen de klasse) er geen nieuwe aanvraag, indicatie en besluit nodig is. De inkooptarief van hulp in natura wordt jaarlijks geïndexeerd. Dit is vastgelegd in het inkoopcontract voor huishoudelijke hulp. Dit betekent dat het bruto persoonsgebonden budget dan ook wijzigt. Uit artikel 6 Wmo volgt dat een persoonsgebonden budget van vergelijkbare waarde moet zijn als een voorziening in natura. Met andere woorden: de hoogte van het persoonsgebonden budget moet toereikend zijn om de benodigde uren hulp bij het huishouden in te kopen (bij een zorgaanbieder of anderzins). Het uurtarief van € 17,50 wordt hiertoe toereikend geacht. Het persoonsgebonden budget behorende bij de klasse wordt ook toereikend geacht. In uitzonderingssituaties waarbij de benodigde uren hulp bij het huishouden niet kunnen worden ingekocht omdat het persoonsgebonden budget is gebaseerd om het gemiddeld aantal uren binnen de klasse kan het bruto persoonsgebonden budget worden vastgesteld op basis van de benodigde uren hulp bij het huishouden vermenigvuldigd met het uurtarief van € 17,50. De budgethouder zal wel moeten aantonen dat de benodigde uren hulp bij het huishouden niet met het persoonsgebonden budget kan worden ingekocht. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de voorkeurszorgaanbieder van de budgethouder.. b. Overige voorzieningen. Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de voormalige Wvg te weten: voorzieningen voor niet bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, vervoersvoorzieningen en onderhoud en reparatie en rolstoelvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, zal per toekenning een berekening gemaakt moeten worden. In het Besluit MO staat in artikel 8.1, 15.1 en 17.1 dat het persoonsgebonden budget 90%van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening is. De waarde van de goedkoopst adequate voorziening wordt bepaald door de adviesprijs van de voorziening vanuit het kernassortiment. Het kernassortiment bestaat uit meerdere voorzieningen per categorie. Bijvoorbeeld voor eenvoudige duwrolstoelen zijn minimaal drie typen beschikbaar. De merken en typen voorzieningen moeten voldoen aan de hoge kwaliteitseisen die gesteld zijn in het bestek bij de Europese aanbesteding. Elk jaar wordt het kernassortiment aangepast. Het CIZ maakt samen met de leverancier een voorstel. Dit voorstel wordt besproken in het Regionaal Overleg Voorzieningen Gehandicapten. Met de invoering van de WMO zal de Regionale adviesraad WMO en de Regionale cliëntenraad WMO betrokken worden bij de aanpassing van het kernassortiment. Dus vanuit het kernassortiment wordt bepaald welke voorziening adequaat is. Vervolgens wordt gekeken welke voorziening het goedkoopst is in zijn categorie. Door deze volgorde te hanteren is de kwaliteit leidend. Rekenvoorbeeld:. Mevr. Geel krijgt een toekenning voor een handbewogen rolstoel. De gemeente koopt deze rolstoel conform de voorwaarde uit de Europese aanbesteding in voor € 2000,-. De adviesprijs van de fabrikant is echter € 3000,-. De hoogte van het PGB bedraagt 90% van de adviesprijs zijnde € 3000,- = € 2700,-. Als er speciale aanpassingen of voorzieningen nodig zijn die niet in het kernassortiment zijn opgenomen, dan wordt in die gevallen 90% vergoed van de adviesprijs van de voorziening die de gemeente in natura zou hebben geleverd. De CIZ indicatie gaat altijd vergezeld van een Programma van Eisen (PVE) waaraan de voorziening dient te voldoen. Dit PVE maakt deel uit van de beschikking waarin een persoonsgebonden budget wordt toegekend. In het persoonsgebonden budget wordt ook het bedrag voor onderhoud en reparatiekosten berekend. Ook het onderhoud en reparatie is onderdeel van de Europese aanbesteding. Dit zijn reële bedragen waar geen kortingen op van toepassing zijn. De bedragen voor onderhoud en reparatie zoals deze gelden voor de voorzieningen in het kernassortiment worden in het PGB opgenomen. c. Service en onderhoudscontract. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor het servicecontract wordt bepaald aan de hand van wat er bij de Europese aanbesteding hiervoor is vastgesteld. d. Wanneer is er recht op een nieuw Persoonsgebonden budget? - Hulp bij het huishouden. De hoogte van het bruto persoonsgebonden budget hangt af van de klasse waarin men ingedeeld wordt. De klasse bepaalt vervolgens hoeveel uren zorg er verleend moet worden. Zie hoofdstuk 1.4 onder a. Het bruto persoonsgebonden budget wordt slechts gewijzigd als de indicatie gewijzigd wordt. Dus als een nieuwe indicatie bepaalt dat men recht heeft op een hogere of lagere klasse aan zorg, dan zal ook het bruto persoonsgebonden budget naar boven of naar beneden worden bijgesteld. - Overige voorzieningen. In hoofdstuk 1.4 onder b wordt de berekening van de hoogte van het persoonsgebonden budget uitgelegd. Het recht op een nieuw persoonsgebonden budget ontstaat wanneer er in een nieuwe indicatie een plan van eisen is vastgesteld voor een andere of aanvullende voorziening. Wanneer men een bestaande voorziening wil vervangen, en er geen nieuwe indicatie is vastgesteld, zal de voorziening aan vervanging toe moeten zijn. Daarvoor is een afschrijvingstermijn van 7 jaar bepaald. Dus als iemand een nieuwe voorziening wil en de indicatie is niet gewijzigd, dan moet de actuele voorziening in ieder geval ouder dan 7 jaar zijn. Is de voorziening na 7 jaar nog niet versleten en aan vervanging toe, dan zal er niet tot vervanging worden overgegaan en er dus geen nieuw persoonsgebonden budget worden verstrekt. Maar als de afschrijvingstermijn nog niet verstreken is en de voorziening is wél aan vervanging toe, dan zal de reden daarvan onderzocht moeten worden. Dat onderzoek moet in ieder geval antwoord geven op de volgende vragen. a. Is de voorziening gebruikt waarvoor deze gebruikt moet worden. b. Is de voorziening goed onderhouden conform de afspraken. c. Heeft de voorziening de reguliere periodieke service en onderhoudsbeurten gehad. Dit dient aangetoond te worden middels een service- en onderhoudsboekje. d. Hoe intensief is de voorziening gebruikt? Is de voorziening intensief gebruikt en heeft hij ook aan de andere voorwaarden voldaan, dan is het mogelijk via de hardheidsclausule een persoonsgebonden budget te ontvangen. Het spreekt voor zich dat als er bij de aanvraag enige twijfel is of het nog wel de geëigende voorziening voor de aanvrager is, er een nieuwe indicatie moet worden gesteld. Indien nadat de afschrijftermijn is verstreken en de voorziening nog in goede staat verkeert, wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Dit heeft voor de aanvrager het voordeel dat er niet opnieuw een eigen bijdrage hoeft te worden betaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel