Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 4.10

Medewerking woningeigenaar

Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010

Voor het aanpassen van een woning is medewerking van de eigenaar nodig. Indien de belanghebbende voor wie de woning aangepast moet worden zelf eigenaar is, zal dat in de meeste gevallen geen problemen opleveren. Het is daarentegen denkbaar dat wanneer de belanghebbende de woning huurt, de eigenaar/verhuurder geen toestemming verleent voor het aanpassen van de woning. De wetgever heeft in dit probleem voorzien door opneming van artikel 16 Woningwet. Op grond van dit artikel rust op de eigenaar van een woning de plicht om die voorzieningen te treffen waarvoor ingevolge de Wmo geldelijke steun is verleend. Uit het karakter van de regeling kan worden afgeleid dat de weigerachtige verhuurder zonder nadere voorwaarden mee moet werken. Voor het eisen van (financiële) garanties van de gemeente en/of de belanghebbende/ huurder dat bij vertrek van huurder de aanpassingen teniet gedaan worden, is dan ook geen plaats. Dit ontneemt uiteraard het college niet de mogelijkheid de verhuurder enigszins tegemoet te komen. Het college is hier echter niet toe verplicht. Het college moet zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van deze verplichting (artikel 100 Woningwet). De handhaving omvat het toepassen van bestuursdwang (artikel 125 Gemeentewet) of het opleggen van een last onder dwangsom (artikel 5:32 Awb). De woningeigenaar wordt vanwege overtreding van artikel 16 Woningwet eerst aangeschreven om binnen een bepaalde termijn alsnog toestemming te verlenen om de woning aan te passen. Mocht hieraan niet worden voldaan, dan kan het college overgaan tot het plaatsen van de woonvoorzieningen met toepassing van bestuursdwang.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel