Dit betekent dat er naast voorzieningen in natura en persoonsgebonden budgetten ten behoeve van vervoersvoorzieningen ook algemene vervoersvoorzieningen toegekend kunnen worden. Uit artikel 23 verordening blijkt verder dat er een primaat ligt bij die algemene voorzieningen, waaronder een primaat voor het collectief vervoer.
Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of algemene voorzieningen waaronder collectief vervoer daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden.
Indien dat niet het geval is wordt gekeken of een andere voorziening het probleem kan oplossen.
a. De algemene voorzieningen anders dan collectief vervoer.
Algemene voorzieningen anders dan collectief vervoer zijn voorzieningen die een probleem snel en effectief op kunnen lossen.
De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:
· Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft;
· Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg;
· Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte.
Algemene voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen zijn nog niet ontwikkeld worden. Te denken valt aan een scootmobielpool voor personen die slechts in beperkte mate van een scootmobiel
gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootmobiels. Het gaat dus om
(zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (en ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie mogelijk.
Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de reguliere aanvraagprocedure.
b. Primaat collectief vervoer.
Uit artikel 24 van de verordening blijkt dat er een primaat ligt bij de algemene voorziening in de vorm van het collectief vervoer. Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt
of collectief vervoer geïndiceerd is. Wanneer dat niet het geval is komen andere voorzieningen in aanmerking.
Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronische psychische problemen en psychosociale problemen inclusief chronische psychische problemen en psychosociale problemen het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk is – in aanmerking voor collectief vervoer.
1. gebruik openbaar vervoer.
De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd
middels het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar zijn er beperkingen bij het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het zitten, het zich staande kunnen houde bij het wegrijden of afremmen dan komt men ook voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.
Er ligt overigens geen letterlijke relatie met het openbaar vervoer. Het opheffen van een buslijn, waardoor een halte op grote(re) afstand komt te liggen, ( maar binnen de 800 meter) is geen aanleiding een vervoersvoorziening te verstrekken. Indien nog gefietst kan worden over grotere afstanden kan hier ook rekening mee worden gehouden.
Begeleiding in het openbaar vervoer
Indien men met begeleiding gebruik kan maken van het openbaar vervoer komt men niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening. De aanvrager kan in dat geval gebruik maken van een zogenaamde begeleiderskaart. Deze kan bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) worden aangevraagd bij het Bureau Begeleiderskaarten. De belanghebbende kan dan gratis een begeleider meenemen. Ook alle stads- en streekvervoerbedrijven kennen een dergelijke voorziening. De begeleiderskaart is overigens ook geldig in het collectief vervoer OV-Taxi.
Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het eerste terrein is het vervoer op de korte afstand , in de woonomgeving, het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere afstand, namelijk de afstand waarvoor een persoon zonder beperkingen het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan moet op beide terreinen bekeken worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide
terreinen een oplossing worden geboden.
2. Collectief vervoer.
Wie problemen heeft met het overbruggen van 800 meter om het openbaar vervoer te bereiken, komt op basis van artikel 23 van de verordening in aanmerking voor collectief vervoer indien dit medisch gezien adequaat is. Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare incontinentie (hetgeen zelden voorkomt) of bij ernstige
gedragsproblemen of in andere uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking.
De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over het bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in gevaar te brengen.
Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer, zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 25 lid 1 van de verordening bepaalt hierover:
“1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.”
De directe woon- en leefomgeving kan het beste beschreven worden in te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om vijf zones, conform de zone-indeling van het Openbaar Vervoer, vanaf de woning waarin
men in de Gemeentelijke Basis Administratie staat ingeschreven. Daardoor is ook aansluiting op het buitenregionaal vervoer van Valys verzekerd.
Artikel 25 lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang in kilometers geboden moet worden.
“De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000 kilometer mogelijk maken.”
Op basis van dit artikel moet iedereen tenminste 1500 kilometer, met een uitloop (bandbreedte) van 500 km, af kunnen leggen met de combinatie van voorzieningen die zijn verstrekt. Op deze manier wordt een compensatie geboden die voldoet aan de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad.
3. Collectief vervoer niet adequaat of niet aanwezig.
Als collectief vervoer niet adequaat is of niet aanwezig is, zal een andere voorziening voor de langere afstanden gekozen moeten worden. Het kan dan gaan om een financiële tegemoetkoming bedoeld voor vervoer taxi, rolstoeltaxi of eigen auto of een voorziening in natura (een bruikleenauto, een gesloten buitenwagen, etc.). .
Financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoer per (rolstoel)taxi of eigen auto
Indien deelname aan het collectief vervoer niet mogelijk is kan een aanvrager een financiële tegemoetkoming voor gebruik van eigen auto, (rolstoel)taxi worden toegekend.
Bij de vaststelling van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is met de hoogte van de tegemoetkoming voor taxivervoer rekening gehouden met de laatste uitspraken van de Centrale Raad van beroep. Dit heeft geleid tot een fors hogere tegemoetkoming.
Aan de andere kant zal nu de tegemoetkoming berekend gaan worden op de individuele situatie van betrokkene. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere verplaatsingsmiddelen die in het kader van
de WMO zijn verstrekt, zoals een scootmobiel, een driewiel fiets e.d. Deze verplaatsingsmiddelen zijn aanvullende op het aanvullend vervoer of de tegemoetkoming daarin. Zij zijn bedoeld voor vervoer op korte afstand van, rond en naar het huis, waarvoor het gebruik van het collectief vervoer, de individuele (rolstoel) taxi of de tegemoetkoming in de kosten ervan, niet de goedkoopst adequate oplossing is.
Voor de berekening van de tegemoetkoming in de kosten van aanvullend vervoer mag het aantal te vergoede kilometers worden verminderd met een aantal kilometers dat verreden wordt met de aanvullende vervoersvoorzieningen. Op deze wijze wordt de deelname aan het maatschappelijk verkeer voldoen gewaarborgd.
Controle
Het gebruik van de tegemoetkoming wordt gecontroleerd aan de hand van de taxibonnen. Dat geeft een garantie dat de tegemoetkoming ook daadwerkelijk gebruikt wordt voor vervoer. Om de bureaucratie voor
gebruiker én de gemeente tot een minimum te beperken wordt deze controle als volgt ingevuld:
De vergoeding voor een taxi wordt per kwartaal betaalbaar gesteld tot het bedrag van € 275 per kwartaal.
De vergoeding voor rolstoeltaxi wordt per kwartaal betaalbaar gesteld tot het bedrag van € 375 per kwartaal.
Deze bedragen komen grosso modo overeen met de maximale hoogte van de taxivergoedingen die tot 1 januari 2007 werden gehanteerd.
Na afloop van het kwartaal kan een aanvullend bedrag tot de maximale vergoeding5 uitbetaald worden als de gebruiker aantoont aan de hand van taxibonnen daadwerkelijk meer kosten te hebben gemaakt.
Periodieke herindicaties moeten er voor zorgen dat de klant conform de gestelde criteria gebruik kan blijven maken van de tegemoetkoming of van de individuele vervoersvoorziening.
Inkomensgrens/auto of daarmee vergelijkbare voorziening algemeen gebruikelijk
Als de aanvrager een inkomen heeft boven 130% van het sociaal minimum heeft hij geen recht op een met een auto vergelijkbare vervoersvoorziening. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer per eigen auto of taxi wordt aangemerkt als een met de auto vergelijke voorziening. Voor de financiële tegemoetkoming in de kosten van een rolstoeltaxi geldt, dat als de auto of een daarmee vergelijkbare
voorziening algemeen gebruikelijk is, van het vervoer per rolstoeltaxi alleen het taxigedeelte algemeen gebruikelijk is. Dat wil zeggen dat als vergoeding uitsluitend het verschil tussen beide vergoedingen kan
worden toegekend. Voor de berekening van het inkomen en de inkomensgrens wordt verwezen naar paragraaf 5.2 van dit hoofdstuk.
Indien een aanvrager wel recht heeft op een tegemoetkoming in kosten van taxivervoer en de aanvrager toch in het bezit van een personenauto of vergelijkbare voorziening is wordt de berekening van de tegemoetkoming aangepast met dien verstande dat maximaal € 275,-- per kwartaal betaalbaar wordt gesteld. Met dit bedrag kan de aanvrager ruimschoots 1500 tot 2000 kilometer met de eigen auto reizen.
Dit geldt ook voor de situaties waarin om medische redenen de taxi geen adequate voorziening is. Er vindt geen controle achteraf plaats.
De ingangsdatum van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. De beëindigingdatum is de datum waarop het recht op de voorziening
daadwerkelijk eindigt. Indien wijziging van het inkomen of het vervoerspatroon leidt tot wijziging van de voorziening wordt de wijziging doorgevoerd met ingang van de datum waarop de wijziging heeft
plaatsgevonden. Een verlaging of beëindiging met terugwerkende kracht kan leiden tot een terugvordering.
Autoaanpassing
Indien de aanvrager op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer of een individuele (rolstoel)taxi is een tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassingen mogelijk indien
dit de adequaat goedkoopste voorziening is
Aanpassingen aan de eigen auto zijn voorzieningen die uitsluitend voor personen met een beperking worden gemaakt en alleen door hen gebruikt kunnen worden, zoals de bediening en de besturing, het in
en uit de auto komen en de zithouding. In bijzondere omstandigheden kan de aanvrager in aanmerking komen voor andere faciliteiten waarover auto’s kunnen beschikken (bijv. extra buitenspiegel). Ook kan er sprake zijn van meerkosten bij de aanschaf en aanpassing van een auto in een bijzondere uitvoering (bijvoorbeeld een bus waarin een rolstoel gereden kan worden).
Voor een aanvrager met een inkomen boven 130% van het sociaal minimum wordt een auto als algemeen gebruikelijk beschouwd. Er kan dan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de
aanpassingskosten of de aanschafkosten die boven die van een referentieauto (= d.w.z. een auto die men normaal zou (kunnen) kopen) uitgaan.
Er wordt echter geen autoaanpassing verstrekt als vervoer per individuele (rolstoel)taxi mogelijk zou zijn en de aanvrager, gelet op zijn inkomen, niet voor een dergelijke voorziening in aanmerking.
Bruikleenauto/gesloten buitenwagen
Toekenning van een (bruikleen)auto of een gesloten buitenwagen wordt eerst dan overwogen als geen enkele andere vervoersvoorziening of combinatie van vervoersvoorzieningen een goedkopere adequate
oplossing biedt voor het geheel aan vervoersproblematiek van de aanvrager (zelf) aanvaard. Voor een aanvrager met een inkomen boven 130% van het sociaal minimum wordt een auto als algemeen gebruikelijk beschouwd
4. Aanvullende vervoersvoorzieningen voor de korte afstand
Indien de aanvrager zich niet op de korte afstand (afstanden tot 800 meter) in de woonomgeving kan verplaatsen, gelet op zijn beperkte loopafstand, en geen mogelijkheid heeft zich met een algemeen
gebruikelijk vervoersmiddel of een rolstoelvoorziening te verplaatsen( bijvoorbeeld. met een fiets, brommer, een elektrische fiets, spartamet, (elektrisch) rolstoel of andere loopmiddelen) én er een aantoonbare substantiële vervoerbehoefte bestaat op de korte afstand, kan aanvullend een vervoersvoorziening voor de korte afstand worden toegekend. Het collectief vervoersysteem is immers minder geschikt voor de hele korte afstanden. Duidelijk dient te zijn dat de voorzieningen voor het dagelijks leven binnen deze straal liggen. Anders zal de vervoersvoorziening voor de langere afstand zonder aanvullende voorziening voor de korte afstand adequaat zijn.
De aanvullende voorziening kan bestaan uit een hulpmiddel, een financiële compensatie of een andersoortige compensatie om de kosten die de korte verplaatsingen opleveren (die personen zonder
beperking of probleem niet hebben omdat zij kunnen lopen) te compenseren. Het kan bij een hulpmiddel onder meer gaan om een gesloten buitenwagen, open elektrische buitenwagen, scootermobiel of een ander verplaatsingsmiddel (bijvoorbeeld. een driewielfiets). De goedkoopst adequate vervoersvoorziening voor de korte afstand wordt toegekend.
Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing
worden geboden.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Vormen van vervoersvoorzieningen
Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010