Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.2

Vormen van rolstoelvoorzieningen

Onderdeel van Beleidsregels behorende bij de Voorzieningenverordening Wmo 2010

Artikel 26 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om rolstoelen te verstrekken: - Een algemene rolstoelvoorziening; - Een rolstoel in natura; - Een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoel; - Een financiële tegemoetkoming te besteden aan een sportrolstoel; - Een financiële tegemoetkoming te besteden aan een andere aangepaste sportvoorziening. a. De algemene rolstoelvoorziening. De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de Wmo een nieuwe vorm van verstrekken. Deze vorm van verstrekken biedt mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel wel structureel (langdurig noodzakelijk) maar niet dagelijks nodig hebben. Te denken valt aan aanvragers die in en om de woning geen hulpmiddelen nodig hebben of met andere loophulpmiddelen zich kunnen verplaatsen, terwijl uitsluitend tijdens een dagje uit, of een middagje winkelen de afstanden die afgelegd te groot worden zodat een rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden vaak opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij bovenomschreven activiteiten. Aangezien deze aanvragers niet dagelijks een rolstoelvoorziening nodig hebben kan de algemene rolstoelvoorziening een adequaat hulpmiddel zijn. Bij een algemene rolstoelvoorziening kunnen diegenen die daartoe het recht hebben een rolstoel voor één of meer dagen lenen om de gewenste activiteiten mee uit te voeren. Het primaat geldt ook voor deze algemene voorziening. De gemeente Laren kent echter geen beleid ten aanzien van de algemene rolstoelvoorziening. Te denken valt aan het inzetten van rolstoelen op wijkniveau voor incidenteel gebruik. Een andere mogelijkheid is het opzetten van rolstoelpools zodat op bepaalde plaatsen zoals winkelcentra, busstations en stadscentra rolstoelen beschikbaar zijn. Indien aanvragers geen gebruik van de algemene rolstoel willen maken, maar liever zelf een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik hebben, kunnen zij gewezen worden op de uitgebreide tweedehandsmarkt rond deze rolstoelen en ook op de mogelijkheid individueel een dergelijke rolstoel aan te schaffen. Ook deze algemene voorziening kent een simpele “toegangstoets”, weinig bureaucratie en geen eigen bijdrage (voor rolstoelen geldt sowieso geen eigen bijdrage). Op eenvoudige wijze kan vastgesteld worden of de wens van een dergelijke rolstoel gebruik te mogen maken geen contra-indicaties kent. In geval van twijfel kan altijd een normale aanvraagprocedure inclusief een medisch advies worden gevolgd. Dit kan ook als de aanvrager dit wenst, omdat een eigen rolstoel noodzakelijk geacht wordt. b. Rolstoel in natura en pgb De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep adequaat kunnen bedienen. Voor hen die (veel) vaker, met name dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing in en rond de woning kan op basis van het gestelde in artikel 27, lid 2 van de verordening een rolstoel toegekend worden. Dit kan ingevolge artikel 26 van de verordening, aanhef en onder b en c als voorziening in natura en als persoonsgebonden budget. Via een (medisch) onderzoek zal bepaald worden of er een indicatie is voor een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens van de aanvrager bepalend en zal een persoonsgebonden budget uitsluitend geweigerd worden als daarvan sprake is op basis van artikel 3 van de verordening en artikel 2.2 van het Besluit MO Sportrolstoel. Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen. Voor een sportrolstoel komt men ingevolge artikel 27, lid 3 van de verordening in aanmerking als sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief chronische psychische problemen en psychosociale problemen inclusief chronische psychische problemen en psychosociale problemen. Dit om het ook mogelijk te maken aan niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te kunnen doen. Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder. Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan ook afgewezen worden. Om deze reden wordt de eis gesteld dat men actief lid is van een sportvereniging (voor mensen met een beperking). Er moet op gewezen worden dat bij veel sportverenigingen (voor mensen met een beperking) de mogelijkheid geschapen wordt een sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Een sportrolstoel wordt uitsluitend als een financiële vergoeding verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf van een sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud en reparatie . In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een beroep op de hardheidsclausule een hoger bedrag worden verstrekt. Dat zal mogelijk zijn als het inkomen de aanschaf van een elektrische sportrolstoel met een persoonsgebonden budget niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele beoordeling is hiervoor noodzakelijk. Topsport zal net als bij mensen zonder beperking, vaak hoge uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken. Andere aangepaste sportvoorzieningen Iemand die op grond van zijn handicap in aanmerking zou komen voor een sportrolstoel, maar daar op grond van het beoefenen van een andere sport (waarvoor geen sportrolstoel nodig is) geen gebruik van kan maken, kan wel in aanmerking komen voor de hiervoor geldende forfaitaire vergoeding gelijk aan die van een sportrolstoel. In principe kan men hier dan ook spreken van een tegemoetkoming aangepast sporten. Deze tegemoetkoming is gelimiteerd tot het in het Besluit WMO vastgestelde forfaitaire bedrag van € 2.500,- per drie jaar. Dat dit bedrag niet altijd toereikend is, is bekend, maar het moet gezien worden als een handreiking naar de sporter om de gevraagde voorziening aan te kunnen schaffen. Door het toekennen van de tegemoetkoming voor andere sportvoorzieningen dan de sportrolstoel ontstaat er rechtsgelijkheid voor iedere (gehandicapte) sporter. Dit ongeacht de sport die beoefend wordt. Aangepaste sportvoorzieningen wordt uitsluitend als een financiële vergoeding verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf bedoeld en een deel voor onderhoud en reparatie. De tegemoetkoming voor andere aangepaste sportbenodigdheden dan de sportrolstoel wordt, net als de tegemoetkoming voor de sportrolstoel, niet voor recreatieve doeleinden verstrekt maar met het oog op participatie. Om deze reden wordt ook hier de eis gesteld dat men actief lid is van een (gehandicapten) sportvereniging. Ook geldt hierbij dat er op gewezen moet worden dat bij veel (gehandicapten) sportvereniging de mogelijkheid geschapen wordt een voorziening te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte voorziening uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt wordt. Bij iedere aanvraag voor een financiële tegemoetkoming in de aanschaf van een sportvoorziening schakelt de gemeente Laren een consulent van Sportservice Noord Holland in. Deze consulent zoekt samen met aanvrager uit wat de meest passende sport is voor aanvrager, welke sportvereniging bij aanvrager past en welke sportvoorziening precies nodig is. De sportconsulent brengt aan de hand hiervan een concreet advies uit aan de gemeente Laren. Na toekenning van de tegemoetkoming is de consulent van Sportservice Noord Holland beschikbaar voor aanvrager om te adviseren bij de aanschaf (leveranciers, model etc.). c. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door AWBZ-bewoners Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen is erkend komen, ingevolge artikel 28 van de verordening, slechts voor een rolstoel in aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen rolstoel krijgen. Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (Bza) van toepassing is. Artikel 15 Bza luidt: “1. Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14, tevens: a. geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg; b. farmaceutische zorg; c. hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg; d. tandheelkundige zorg; e. kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling; f. het individueel gebruik van een rolstoel. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld.” En de zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit: de functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg. Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo. Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Bza van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel