Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 1

Artikel 6

Zittingsperiode

Onderdeel van Regeling voor de behandeling van bezwaarschriften voor de gemeente Arnhem 2010

1.. De voorzitter en de vice-voorzitter worden benoemd voor een periode van zes jaar. Zij kunnen één maal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar. Het college stelt hiertoe, gehoord de commissie, een rooster van aftreden op. 2.. De leden van de commissie worden benoemd voor een periode van drie jaar. Zij kunnen één maal worden herbenoemd voor een periode van drie jaar. Het college stelt hiertoe, gehoord de commissie, een rooster van aftreden op. 3.. Indien de voorzitter of vice-voorzitter van de commissie tussentijds tot gewoon lid of plaatsvervangend lid wordt benoemd geldt een totale maximale zittingsperiode, inclusief de periode als voorzitter of vice-voorzitter, van negen jaar. 4.. Indien een lid of plaatsvervangend lid van de commissie tussentijds als voorzitter respectievelijk. vice voorzitter wordt benoemd geldt een totale maximale zittingsperiode, inclusief de periode als lid, van negen jaar. 5.. Bij de berekening van de maximale zittingsperiode wordt geen onderscheid gemaakt tussen de commissies of de wijze van voordracht van de leden. 6.. In geval van bijzondere omstandigheden kan het college de voorzitter, de vice-voorzitter of een lid van de commissie tijdelijk ontheffen van zijn of haar functie; 7.. De voorzitter, de vice-voorzitter en de overige leden van de commissie kunnen op ieder moment ontslag nemen. 8.. De aftredende voorzitter, de vice-voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. 9.. Indien de maximale zittingsperiode is verstreken, kunnen de aftredende voorzitter, de vice-voorzitter of het aftredende lid van de commissie voor een periode van zes jaar niet meer benoemd worden in een functie bij de bezwaarschriftencommissies.

Rechtspraak bij dit artikel