Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling II

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Parkeerverordening 2013

Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen voor het aanvragen van een vergunning. Een vergunning kan worden verleend aan: een eigenaar of houder van een motorvoertuig die staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn; b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren; de verhuurders van vakantie- en/of recreatieverblijven in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, met dien verstande dat per vakantie- en/of recreatieverblijf slechts één vergunning kan worden verleend. Deze vergunningen kunnen door de verhuurders ter beschikking worden gesteld aan de huurders van de desbetreffende verblijven; de bedrijven in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn ten behoeve van het woon-werkverkeer van hun directie en/of personeelsleden die werkzaam zijn voor en/of in dienst zijn van dit bedrijf; een bewoner die staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op een adres in een gebied waar belanghebbendenplaatsen aanwezig zijn, ten behoeve van door hen te ontvangen bezoekers, waaronder mede begrepen het sociaal bezoek en personen in de uitoefening van (ambulante) beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten (parkeerschijfvergunning). Burgemeester en wethouders kunnen, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen. Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 lid 3 kunnen burgemeester en wethouders voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet Milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Rechtspraak bij dit artikel