**1..** Onverminderd het bepaalde in de APV en het bepaalde in artikel 5, vindt intrekking van de op grond van de APV verleende vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf plaats indien redelijkerwijs kan worden aangenomen, dat degene die de feitelijke leiding heeft in de coffeeshop direct of indirect betrokken is bij de onder artikel 3 lid 1 sub a. (handel harddrugs) en e. (criminele activiteiten) genoemde activiteiten;
**2..** Onverminderd het bepaalde in de APV vindt intrekking van de in het eerste lid genoemde vergunning tevens plaats indien binnen een periode van twee jaar na afloop van een sluiting wegens recidive redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er sprake is van herhaling van het gestelde onder artikel 3 lid 1 sub b. (aanwezigheid minderjarigen), c. (verkoop softdrugs op de openbare weg in relatie tot de coffeeshops), d. (overlast), f. (verkoop alcoholhoudende dranken), g. (handelsvoorraad >500g) , h. (verkoop >5g per keer), i. (affichering) of j. (verkoop aan niet-ingezetenen).
**3..** Intrekking van de in het eerste lid genoemde vergunning vindt ook plaats indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er sprake is van (hernieuwde) verkoop van softdrugs vanuit een ander horecabedrijf dan vanuit één van de bestaande coffeeshops.
Artikel 6
Intrekking vergunning voor de exploitatie van het horeacabedrijf
Onderdeel van Beleidsregels voor Coffeeshops en overige lokalen