Onverminderd artikel 18, eerste lid van de wet zijn de volgende voorwaarden van toepassing:
De alleenstaande of het gezin dient te voldoen aan twee van de vier hierna genoemde voorwaarden:
in het kalenderjaar, voorafgaand aan de aanvraag om bijstand, een uitkering als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet hebben ontvangen (Compensatie Eigen Risico);
in het kalenderjaar, voorafgaand aan de aanvraag om bijstand, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten hebben ontvangen (Wtcg);
te beschikken over een Wmo-voorziening anders dan voor hulp in de huishouding, een Rea-voorziening, een voorziening in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;
te beschikken over een indicatiebesluit voor thuiszorg gedurende zes maanden of langer.
Het inkomen is niet hoger dan 110 procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, als bedoeld in de wet.
Het vermogen is niet hoger dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 34, derde lid van de wet.
Artikel 3.
Voorwaarden
Onderdeel van Beleidsregels categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten