In artikel 5.19 vierde lid onder b Wabo is geregeld dat een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Het spreekt voor zich dat het bestuursorgaan bij het ‘intrekken’ van een omgevingsvergunning nog meer dan bij een weigering een zeer zorgvuldige belangenafweging dient te maken. Een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken als zich na de verlening ervan feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die nopen tot het houden van een Bibob-toets en deze toets leidt tot de conclusie dat er sprake is van een ernstig gevaar voor misbruik van de vergunning. Een omgevingsvergunning kan ook worden ingetrokken wanneer de omgevingsvergunning is overgedragen en op naam van een ander wordt gesteld (artikel 2.25, tweede lid Wabo). Indien de nieuwe rechthebbende van deze vergunning aan een Bibob-toets wordt onderworpen, en uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, kan het bestuursorgaan besluiten tot het intrekken van de vergunning.
Hoofdstuk
Artikel Intrekking van een verleende omgevingsvergunning-bouwactiviteit
Artikel Intrekking van een verleende omgevingsvergunning-bouwactiviteit
Onderdeel van BELEIDSREGEL WET BIBOB BOUWEN HELMOND 2013