Aanvragers van een prestatie- of projectsubsidie zijn verplicht een vrij besteedbaar eigen vermogen te vormen en/ of aan te houden van 10% tot 15% van de totale exploitatie. Indien er sprake is van een bovenmatig vrij besteedbaar eigen vermogen, hoger dan 15% van de totale exploitatie, kan het college dit betrekken bij de afspraken over de te realiseren prestaties en het te verstrekken subsidiebedrag voor de volgende subsidieperiode.
Bij aanvragers van een grondslag- of waarderingssubsidie worden met betrekking tot het vrij besteedbaar eigen vermogen de volgende uitgangspunten gehanteerd:
een maximaal toegestaan vrij besteedbaar eigen vermogen van € 5.000,-- bij een exploitatieomvang tot € 33.000,--;
voor organisaties met een exploitatieomvang groter dan € 33.000,-- is het maximaal toegestane vrij besteedbaar eigen vermogen gerelateerd aan 15% van de exploitatie-omvang.
Aanvragers van een grondslag- of waarderingssubsidie die een vrij besteedbaar eigen vermogen hebben dat hoger is dan het vrij besteedbaar eigen vermogen genoemd in lid 2 worden voor het meerdere gekort op de subsidie voor de volgende subsidieperiode.
Het college kan afwijken van het gestelde in lid 1 en 2 mits er naar het oordeel van het college sprake is van buitengewone bedrijfsrisico’s.
Het college kan afwijken van het gestelde in lid 4, mits het college overeenstemming bereikt met de subsidieontvanger over de besteding van de middelen voor de subsidiabele activiteiten.