Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 14.

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Terneuzen 2008

1.. Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 centimeter onder de oppervlakte te verstoren, zonder of in afwijking van een vergunning. 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; a.. het een verstoring betreft van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: -.. in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2, of; -.. in een gebied met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 25m2. b.. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. c.. in een vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikelen 3.6, 3.10, 3.22 en 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. d.. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische waardekaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden; e.. een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: -.. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of -.. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of -.. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3.. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan worden bepaald dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 4.. Aan de vergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden: a.. de verplichting tot het treffen van maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b.. de verplichting tot het doen van opgravingen of; c.. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. d.. de verplichting voor de opdrachtgever de offerte aan de gemeente voor te leggen ter toetsing aan Programma van Eisen en Plan van Aanpak 5.. De vergunning als bedoeld in lid 1, kan door het college worden ingetrokken indien: a.. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b.. blijkt dat de vergunninghouder de vergunningvoorwaarden niet naleeft; c.. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van de archeologie zwaarder weegt; d.. niet binnen achttien maanden van de vergunning gebruik wordt gemaakt. 6.. Degene die handelt zonder, of in strijd met de vergunning als bedoeld in dit artikel kan worden gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel