De norm voor gehuwden bij wie een ander zijn hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander haar hoofdverblijf heeft en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen delen, wordt verlaagd met een bedrag ter hoogte van 10% van de gehuwdennorm.
In afwijking van lid 1 vindt geen verlaging plaats indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kunnen worden gedeeld.
Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten is ook sprake indien de woning wordt bewoond met uitsluitend een zorgbehoevende.