Het college draagt bij de uitoefening van de
financieringsfunctie zorg voor:
het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
uitzetten van overtollige gelden om de programma’s
binnen de door de raad vastgestelde kaders van de
begroting uit te kunnen voeren;
het beheersen van de risico’s verbonden aan de
financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s
en kredietrisico’s;
het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de
leningen en het bereiken van een voldoende rendement op
de uitzettingen;
het beperken van de interne verwerkingskosten en
externe kosten bij het beheren van de geldstromen en
financiële posities.
Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie
de bepalingen uit het treausurystatuut in acht.
Het college informeert de raad indien de wettelijke
kasgeldlimiet of de wettelijke rente-risiconorm dreigt te worden
overschreden.
Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en
het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de
publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden.
Het college motiveert in zijn besluit het openbaar belang van
dergelijke uitzettingen van middelen, verstrekkingen van
garanties en financiële participaties.
Hoofdstuk 3.
Artikel 14