Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Beheersverordening Buitengebied

REGELS HOOFDSTUK 1             REGELS Artikel 1            Begripsbepalingen Artikel 2            Bouw- en gebruiksregels Artikel 3            Archeologie - 1 Artikel 4            Archeologie - 2 Artikel 5            Ecologische Hoofdstructuur Artikel 6            Vrijwaringszone dijk HOOFDSTUK 2             OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 7            Overgangsrecht gebruik Artikel 8            Overgangsrecht bouwen Artikel 9            Inwerkingtreding Artikel 10          Citeertitel BIJLAGEN Voor de gehele verordening inclusief bijlagen en toelichting verwijzen we u naar: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/bestemmingsplannen?planidn=NL.IMRO.0060.130202-VG01 HOOFDSTUK 1            REGELS Artikel 1           Begripsbepalingen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1       verordening: de beheersverordening Buitengebied van de gemeente Ameland; 1.2       verordeningsgebied: het gebied waarop deze verordening van toepassing is, vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0060.130202-VG01 met bijbehorende bestanden; 1.3       bestaand legaal gebruik: het (al dan niet aanwezige) gebruik van de gronden en bouwwerken zoals toegestaan conform: a.  een in werking getreden bestemmings- of wijzigingsplan; b.  een omgevingsvergunning voor het gebruik; 1.4       bestaande legale bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de vaststelling van de verordening: a.  aanwezig zijn én bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn gebouwd; b.  nog kunnen worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen; 1.5       bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Artikel 2           Bouw- en gebruiksregels In het verordeningsgebied gelden de volgende regels: a.  ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden geldt de regeling zoals opgenomen in Bijlage 1 Buitengebied regels en Bijlage 2 Buitengebied bijlage bij de regels, Bijlage 6 Binnenduinrandzone regels en de daarbij behorende kaarten, zoals opgenomen in Bijlage 3 Buitengebied legenda Bijlage 4 Plankaart Oost, Bijlage 5 Plankaart West, Bijlage 7 Binnenduinrandzone Plankaart met inachtneming van het bepaalde in lid b; b.  in afwijking van het bepaalde in lid a, is de regeling in Bijlage 1 Buitengebied regels en Bijlage 6 Binnenduinrandzone regels voor zover het betreft de in de artikelen genoemde leden 'Nadere eisen' en 'Wijzigingsbevoegdheid', alsmede de artikelen, 'Overgangsbepalingen', 'Strafbepaling' en 'Slotbepaling' niet van toepassing; c.  in aanvulling op het bepaalde in lid a geldt, voor zover het bestaande legale gebruik (bouwen en gebruik) afwijkt van hetgeen in artikel 2 Bouw- en gebruiksregels is geregeld, het volgende: 1.  de in het verordeningsgebied gelegen gronden en bestaande legale bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande legale gebruik; 2.  bestaande legale bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie; d.  daar waar in Bijlage 1 Buitengebied regels en Bijlage 6 Binnenduinrandzone regels 'aanlegvergunningen' staat, wordt gelezen: 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden'; e.  daar waar in Bijlage 1 Buitengebied regels en Bijlage 6 Binnenduinrandzone regels 'vrijstelling verlenen' staat, wordt gelezen: 'afwijken'; f.  daar waar in Bijlage 1 Buitengebied regels en Bijlage 6 Binnenduinrandzone regels 'vrijstelling' of 'vrijstellingsbevoegdheid' staat, wordt gelezen: 'afwijking'. Artikel 3           Archeologie - 1 3.1       Bestemmingsomschrijving De voor 'Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 3.2       Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemming(en) mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd. 3.3       Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 in die zin dat de in de andere daar voorkomende bestemming(en) genoemde gebouwen en/of andere bouwwerken, worden gebouwd, mits: a.  is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b.  is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c.  de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten                      onevenredig kunnen worden verstoord: 1.  een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden en/of een verplichting tot het doen van opgravingen; 2.  een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.4       Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1     Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de andere daar voorkomende bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist: a.  het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen; b.  het rooien of vellen van houtopstanden; c.  de aanleg van verhardingen; d.  het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; e.  het graven, verbreden of dempen van sloten alsmede het aanleggen en intensiveren van drainage; f.   het in de grond brengen van voorwerpen; g.  het verrichten van graafwerkzaamheden; h.  het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 3.4.2     Uitzonderingen Het bepaalde in lid 3.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a.  het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken; b.  reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan. 3.4.3     Toetsingscriteria De in lid 3.4.1 bedoelde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend, indien: a.  is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b.  is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c.  de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of                              werkzaamheden niet onevenredig kunnen worden verstoord: 1.  een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden en/of een verplichting tot het doen van opgravingen; 2.  een verplichting de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg. 3.5       Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming 'Archeologie - 1' geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel 4           Archeologie - 2 Ter plaatse van het besluitvlak 'Archeologie - 2' gelden de volgende regels. 4.1       Bouwregels 4.1.1     Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor nieuwe en de uitbreiding van bestaande bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan -0,30 m, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin: a.  de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b.  in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 4.1.2     Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in lid 4.1.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b.  de verplichting tot het doen van opgravingen; c.  de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein              van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning te stellen kwalificaties. 4.2       Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.2.1     Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen, een omgevingsvergunning vereist: a.  het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het                              anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b.  het uitvoeren van overige grond bewerkingen; c.  het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; d.  het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen. 4.2.2     Uitzondering vergunningsplicht Het bepaalde in lid 4.2.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a.  het normale onderhoud betreffen; b.  reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c.  in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; d.  niet dieper gaan dan 0,30 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 500 m² beslaan. 4.2.3     Voorwaarden De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 4.2.4     Onderzoeksplicht Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend indien door de aanvrager een rapport is overgelegd waarin: a.  de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b.  in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 4.2.5     Beoordelingscriteria Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige. 4.2.6     Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in lid 4.2.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kunnen één of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning: a.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b.  de verplichting tot het doen van opgravingen; c.  de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de bij de vergunning te stellen kwalificaties. Artikel 5           Ecologische Hoofdstructuur Ter plaatse van het besluitvlak 'Ecologische Hoofdstructuur' gelden de volgende regels. 5.1       Bouwregels Er mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken ten dienste van de functie, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 2 m mag bedragen en dat de regels, opgenomen in artikel 2 Bouw- en gebruiksregels onverminderd van toepassing zijn, tenzij dit strijdig is met de belangen van Ecologische Hoofdstructuur. 5.2       Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a.  het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten; b.  het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; c.  het omzetten van gras- en/of schraalland ten behoeve van een ander agrarisch gebruik; d.  het ploegen en frezen van gronden; e.  het gebruik van gebouwen ten behoeve van bewoning; f.   het gebruik van de stranden als parkeerterrein ten behoeve van het gebruik van de strandpaviljoens; g.  de opslag van goederen ten behoeve van de strandpaviljoens buiten de gebouwen; h.  het nalaten en/of het plegen van onderhoud en ingrepen, die de veiligheid van de zeekering in gevaar brengen; i.   het gebruik van de gronden voor exploratieboringen en/of seismologisch onderzoek. 5.3       Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 5.3.1     Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a.  het ontgronden, af- en/of vergraven, egaliseren en/of ophogen van gronden; b.  het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties; c.  het dempen, graven, verdiepen en/of verbreden van plassen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen; d.  het aanleggen, verharden en/of verbreden van wegen en paden; e.  het aanbrengen van drainage; f.   het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik; g.  het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen. 5.3.2     Uitzondering Het bepaalde in lid 5.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a.  het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen; b.  passen binnen een beheersplan ex artikel 19a en/of artikel 19b van de Natuurbeschermingswet 1998. 5.3.3     Toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke waarden. Artikel 6           Vrijwaringszone dijk Ter plaatse van het besluitvlak 'Vrijwaringszone dijk' gelden de volgende regels. 6.1       Bouwregels 6.1.1     Bouwregels gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken Op of in deze gronden mogen geen gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de dijk. 6.1.2     Bouwregels andere bouwwerken Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt de volgende regel: de bouwhoogte van andere bouwwerken, ten behoeve van de dijk, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. HOOFDSTUK 2            OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 7           Overgangsrecht gebruik a.  Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.  Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c.  Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d.  Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de  voorheen geldende  beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of de verordening. Artikel 8           Overgangsrecht bouwen a.  Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1.  gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2.  na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b.  Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c.  Het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of de verordening. Artikel 9           Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking van het raadsbesluit. Artikel 10         Citeertitel Deze verordening worden aangehaald als: beheersverordening Buitengebied.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel