De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van
het minimumloon voor de gehuwden diemet één of meer anderen hun
hoofdverblijf in dezelfde woonruimte hebben.
Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
zijn hoofdverblijf heeft:
een inwonend studerend kind van 18 jaar of ouder die
aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de
Wet studiefinanciering 2000 en een in aanmerking te
nemen inkomen heeft van ten hoogste 80% van de
bijstandsnorm voor gehuwden;
een inwonend niet-studerend kind van 18 tot 23 jaar die
een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste
het normbedrag genoemd in artikel 21, lid a of b, van de
wet.