Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere
middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de
kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking
te stellen.
Het is verboden op een parkeerapparatuurplaats gedurende de
tijden waarop het parkeren daar slechts tegen betaling is
toegestaan:
een motorvoertuig te parkeren indien de
parkeerapparatuur niet in werking is gesteld of niet
onmiddellijk na aanvang van het parkeren in werking
wordt gesteld;
een motorvoertuig geparkeerd te houden indien de
parkeerapparatuur aangeeft dat de parkeertermijn is
verstreken.
Het in het tweede lid vervatte verbod geldt niet wanneer aan de
eigenaar of houder van het motorvoertuig -een vergunning is
verleend voor het parkeren op de betreffende categorie
parkeerapparatuurplaatsen, het motorvoertuig duidelijk zichtbaar
is voorzien van een vergunning en niet gehandeld wordt in strijd
met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Het in het tweede lid vervatte verbod is niet van toepassing op
parkeerapparatuurplaatsen waar op grond van de Verordening op de
heffing en invordering van parkeerbelastingen 2012
naheffingsaanslagen worden opgelegd wegens het niet betalen van
het verschuldigde parkeergeld.