Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 3.8

Aanwijzing havenbekkens met een invaarverbod

Onderdeel van Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012

1.. Het college kan havenbekkens aanwijzen waar een verbod geldt voor een schip om die havenbekkens in te varen of zich te bevinden in die havenbekkens. 2.. Het is verboden de in het eerste lid bedoelde havenbekkens in te varen of zich daarin te bevinden, tenzij het betreft: een schip dat moet laden, lossen of wachten op een ligplaats als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid; een zeegaand passagiersschip of een riviercruiseschip dat zich rechtstreeks en zonder onderbreking naar een hiertoe bestemde ligplaats begeeft; een pleziervaartuig of zeilschip dat zich rechtstreeks en zonder onderbreking begeeft naar een in het havenbekken gelegen jachthaven, scheepswerf of een op het havenbekken aansluitende vaarweg die voor die vaartuigen openstaat dan wel een voor deze vaartuigen bestemde ligplaats; een dienstverlenend schip; een bunkerschip; een schip dat in dienst is van een publiekrechtelijk lichaam dan wel werkzaamheden verricht in opdracht van een publiekrechtelijk lichaam; een schip waarvan de aanwezigheid in de haven in verband met de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als bedoeld in onderdeel a of b, uit een oogpunt van de uitoefening van het scheepvaartbedrijf noodzakelijk is; een werkschip waarvan de aanwezigheid in de haven noodzakelijk is in verband met nieuwbouw - of onderhoudswerkzaamheden aan de haveninfrastructuur; of een schip dat baggerwerkzaamheden uitvoert. 3.. Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van zeilen wordt voortbewogen te varen in een havenbekken. 4.. Het college kan van de in het tweede en derde lid genoemde verboden ontheffing of vrijstelling verlenen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel