In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.
afvalstoffen:
scheepsafval, ladingresiduen, alsmede vloeibare of vaste afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken van een schip;
b.
behandelen van een gevaarlijke of schadelijke vloeistof:
laden, lossen, overslaan, intern verpompen of mengen ( blenden) van een gevaarlijke of schadelijke vloeistof, waaronder níet begrepen is het onderling overpompen of terugpompen van bunkerolie of LNG-brandstof of LNG-bunkeren;
c.
binnenschip:
vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren;
d.
bootliedenorganisatie:
door het college erkende organisatie van bootlieden die activiteiten verricht ter waarborging van de vakbekwaamheid van bootlieden en zorgdraagt voor het
vereiste materieel;
e.
bootman:
degene die in de uitoefening van zijn beroep een zeeschip vast- of losmaakt;
f.
Bpr:
Binnenvaartpolitiereglement;
g.
brandstofolie:
elke olie die wordt gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- of hulpwerktuigen van schepen;
h.
bunkeren:
het aan boord brengen van brandstofolie of smeerolie van een bunkerschip naar een zeeschip voor eigen gebruik op het schip. LNG-bunkeren: het aan boord van een schip brengen van LNG-brandstof voor eigen gebruik op het schip;
i.
bunkerschip:
tankschip gebruikt voor het bevoorraden van schepen met brandstofolie of smeerolie;
j.
bunkercontrolelijst:
bunkercontrolelijst als bedoeld in de ISGOTT of de ISGINTT;
k.
college:
college van burgemeester en wethouders;
l.
dienstverlenend schip:
elk schip betrokken bij diensten aan een ander schip betreffende het repareren, schoonmaken, brengen of halen van voorraden of scheepsonderdelen of ophalen van afvalstoffen;
m.
exploitant:
eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip;
n.
gasdeskundige:
gasdeskundige als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Arbeidsomstandighedenregeling;
o.
gevaarlijke stoffen:
stoffen, die als gevaarlijk zijn geclassificeerd, benoemd in de International Maritime Dangerous Goods Code, de (International) Code for the Construction and Equipment
of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk, de (International) Code for the Construction and Equipment of ships carrying Liquefied Gasses in Bulk van de Internationale Maritieme Organisatie of het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (Adn) vanwege het gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling en die afhankelijk van de vervoersmodaliteit verpakt, als losgestorte droge bulk of vloeibare bulk vervoerd worden;
p.
haven:
wateren binnen het Noordzeekanaalgebied die voor de scheepvaart openstaan, alsmede alle tot de haven behorende kunstwerken en de scheepshellingen, dokken, scheepsreparatiewerven en los- en laadplaatsen, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2 bij deze verordening;
q.
havenbekken:
aan een doorgaande vaarweg kunstmatig gegraven bassin, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 2 bij deze verordening, dat toegankelijk is voor de beroepsscheepvaart;
r.
havenmeester:
havenmeester van de gemeente Zaanstad;
s.
IAPH:
International Association of Ports of Harbors
t.
ISGINTT:
International Safety Guide for Inland Navigation Tank barges and Terminals;
u.
ISGOTT:
International Safety Guide for Oiltankers and Terminals;
v.
kapitein:
degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert;
w.
ladingresiduen:
restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen;
x.
lengte:
lengte als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Meetbrievenwet 1981;
y.
LNG:
Liquefied Natural Gas, door koeling vloeibaar gemaakt aardgas;
z.
LNG-aangedreven elektriciteitsvoorziening:
mobiele energievoorziening die stroom levert aan afgemeerde (cruise)schepen en voor het opwekken van die energie gebruik maakt van LNG;
aa.
LNG-aangedreven schip:
schip dat gebruikmaakt of mede gebruikmaakt van LNG-brandstof voor voortstuwing;
bb.
LNG-brandstof:
LNG dat wordt gebruikt als brandstof voor de voortstuwing of voor het hulpbedrijf van een schip;
cc.
LNG-bunkercontrolelijst:
LNG-Bunkercontrolelijst gebaseerd op de meest actuele door de IAPH gepubliceerde controlelijst;
dd.
LNG-bunkeren:
zie onder ‘bunkeren’;
ee.
LNG-bunkerlocatie:
locatie die op grond van artikel 4.6b is aangewezen voor het LNG-bunkeren;
ff.
LNG-bunkerschip:
gecertificeerd tankschip, gebruikt voor het LNG-bunkeren;
gg.
Noordzeekanaalgebied:
gebied zoals aangegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening;
hh.
oliehavengebied:
gebied ingericht voor de afhandeling van een tankschip met onverpakte gevaarlijke vloeibare lading;
ii.
ontvangstvoorziening:
voorziening geschikt voor de ontvangst van scheepsafval, overige schadelijke stoffen of restanten van schadelijke stoffen;
jj.
operationele ruimte:
in lengte, breedte, diepte en hoogte begrensd gebied, waarbinnen schepen ligplaats kunnen nemen om hun activiteiten uit te oefenen;
kk.
passagiersschip:
elk schip dat is ingericht voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers en dat in het bezit is van toereikende en geldende certificaten;
ll.
pleziervaartuig:
schip hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet bedrijfsmatig varende recreatie;
mm.
schadelijke stoffen:
stoffen die als zodanig bij of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen zijn aangewezen of worden genoemd;
nn.
scheepsafval:
afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de lading als afval overblijft, waaronder in ieder geval begrepen wordt stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden, verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad of stalen banden;
oo.
schip:
elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;
pp.
schipper:
degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert;
qq.
smeerolie:
elke vloeistof bestemd voor smering van machines aan boord van schepen;
rr.
spudpaal:
voorziening waarmee een schip zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust;
ss.
tankschip:
zee- of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten;
tt.
toestemming:
vergunning, erkenning, ontheffing of vrijstelling;
uu.
werkschip:
elk schip dat onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de haveninfrastructuur, uitgezonderd een schip dat baggerwerkzaamheden uitvoert;
vv.
zeeschip:
schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee;
ww.
zeilvaartuig:
een zeilschip dat bedrijfsmatig of niet-bedrijfsmatig wordt gebruikt.
Paragraaf § 1
Artikel 1.1
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2012