Tot het geschikt of beter geschikt maken van grond tot bouwgrond worden gerekend:
de aanleg, binnen een exploitatiegebied, als bedoeld in artikel 7, van de hieronder vermelde werken;
demping van sloten en het verrichten van grondwerken met inbegrip van het egaliseren, ophogen en afgraven;
riolering, met inbegrip van de daarvoor nodige werken;
bemalingsinrichtingen
wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, bruggen, tunnels en andere rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen verband houdende werken;
plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder begrepen de aanleg en inrichting van openbare speelplaatsen en speelweiden; voorts de sierende elementen welke rechtstreeks voortvloeien uit een juiste uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;
straatverlichting en brandkranen met de nodige aansluitingen;
de aanleg van de onder 1 vermelde werken buiten het exploitatiegebied bedoeld onder 1, voor zover de nuttigheid van deze werken zich uitstrekt over het exploitatiegebied, bedoeld onder 1.