Voor antenne-installaties geeft artikel 4, onder 4 bijlage II Bor zelf
voorwaarden ten aanzien van de hoogte. Afhankelijk van de locatie kunnen
deze bouwwerken een behoorlijke impact hebben. Voor de toepassing van
deze mogelijkheid geldt dat per aanvraag een goede afweging gemaakt
dient te worden over de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Wij vinden het
wenselijk om, voor zover het gaat om GSM- en UMTS-antenne(drager)s,
nadere regels te stellen ten aanzien van de minimale afstand tot
woningen en ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Daartoe hebben
wij op 11 september 2007 beleidsregels vastgesteld. Voor de
duidelijkheid en eenduidigheid verklaren wij in onderhavige
beleidsregels het specifieke beleid voor GSM- en UMTS-antenne(drager)s
van toepassing.
Omdat de maatschappelijke en politieke discussie omtrent dit onderwerp
in beweging is, bewegen inzichten over de toelaatbaarheid en voorwaarden
voor het plaatsen van deze masten mee. Dit kan leiden tot wijziging van
het specifieke beleid. Wij hebben daarom opgenomen dat een verzoek om
omgevingsvergunning, naast het gestelde in het Bor, wordt getoetst aan
de op het moment van verzoek geldende specifieke beleidsregels voor GSM-
en UMTS-antenne(drager)s.
2.
Artikel Antenne-installatie
Artikel Antenne-installatie
Onderdeel van Beleidsregels artikel 2.12 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht