Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 3.

Instandhoudingsbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Voerendaal 2012

1.. Het is verboden om in een archeologisch monument, zijnde een monument dat als zodanig is aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart, of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 40 cm onder de oppervlakte te verstoren. 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart, op de provinciale Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en binnen een straal van 50 mtr geen vindplaatsen zijn, of; in een gebied met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 2500 m2, en binnen eenstraal van 50 mtr geen vindplaatsen zijn, of; in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde in een historische dorpskern en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2, en binnen een straal van 50 mtr geen vindplaatsen zijn. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart. een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel