1 Een aanvrager kan alleen voor de in artikel 23 lid 1 onder b en c vermelde voorziening in aanmerking komen indien: a aantoonbare beperkingen of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld onder artikel 23 lid 1 onder a onmogelijk maken; b een collectief systeem als bedoeld in artikel 23 lid 1 onder a niet aanwezig is.