De verlaging van de uitkering/bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet en artikel 35, eerste lid onder b van de IOAW/IOAZ, vindt bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2 t/m 4 van deze verordening plaats:
voor de duur van één maand, wanneer sprake is van een eerste verwijtbare gedraging;
voor de duur van twee maanden, wanneer sprake is van een tweede verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de datum van het laatst opgelegde besluit tot verlaging;
het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie binnen twaalf maanden na de datum van het laatst opgelegde besluit tot verlaging, de uitkering/bijstand verlagen voor maximaal drie maanden;
in afwijking van het genoemde onder a,b of c kan de hoogte van de verlaging en de periode anders worden vastgesteld, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
HOOFDSTUK 4
Artikel 9
Periode van de verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013