In overeenstemming met deze verordening wordt een verlaging
toegepast indien de belanghebbende:
naar het oordeel van het college niet of onvoldoende de
verplichtingen voortvloeiende uit de wet dan wel artikel
30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen nakomt;
blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
bestaan;
zich jegens het college zeer ernstig heeft misdragen.
De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
belanghebbende en kan daarom afwijken van de in deze verordening
genormeerde verlagingen.
Het toepassen van de verlagingen in de praktijk wordt tweemaal
per jaar geëvalueerd in de Commissie Maatschappelijke
Ondersteuning.
Hoofdstuk 1
Artikel 2
Het toepassen van een verlaging
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012 - 2