Aan het gebruik van de ontheffing worden door het college worden in elk geval de navolgende voorschriften verbonden:
De ontheffing mag slechts worden gebruikt ten behoeve van de door de aanvrager omschreven werkzaamheden en/of de te verhelpen calamiteiten en welke in de ontheffing zijn opgenomen.
Als de ontheffing geldig is voor een bepaalde tijdsduur dient ten behoeve van controle een parkeerschijf te worden gebruikt.
Van de ontheffing mogen geen fotokopieën of andere afdrukken worden gemaakt.
De ontheffing moet op eerste vordering van bevoegde ambtenaren aan deze ter inzage worden gegeven en de houder dient derhalve de ontheffing, bij gebruik ervan, bij zich te dragen.
Indien de ontheffing wordt gebruikt op een weggedeelte waar gereguleerd parkeren is ingevoerd, dient de verschuldigde parkeerbelasting te worden betaald op de wijze zoals op de parkeerautomaat is aangegeven.
De houder mag bij het gebruik van de ontheffing de omgeving en het overige verkeer niet in gevaar brengen (o.a. Wegenverkeerswet 1994 artikel 5).
Indien het gebruik van de ontheffing voor de werkzaamheden niet strikt noodzakelijk is, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van reguliere beschikbare (betaald) parkeerplaatsen, dan mag een ontheffing op het gebied van parkeren niet worden gebruikt.
Aan de ontheffing kunnen door het college (aanvullende) voorschriften of beperkingen worden verbonden.
Degene aan wie de ontheffing is verleend is verplicht zich te houden aan de in de ontheffing gestelde voorschriften dan wel beperkingen.
Bij het niet naleven van de voorschriften of beperkingen kan het college de ontheffing intrekken.
Artikel 7
Voorschriften en beperkingen
Onderdeel van Beleidsregels ontheffingen artikel 87 RVV 1990 Schiedam 2013