Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6:4:1:0

Buitengewoon verlof

Onderdeel van CAR/UWO

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt aan de ambtenaar door het college verlof met behoud van bezoldiging verleend: bij overlijden van echtgenoot of geregistreerd partner, ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief- en aangehuwde kinderen: vier werkdagen; van bloed- en aanverwanten in de tweede graad: twee werkdagen en van de echtgenoot en van de echtgenote of geregistreerd partner van schoonzuster of zwager één werkdag, tenzij de ambtenaar is belast, met de regeling der begrafenis of (en) nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste vier werkdagen wordt verleend. Dit verlof dient binnen een periode van zeven kalenderdagen te worden opgenomen; na de bevalling van de echtgenote of geregistreerd partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind erkent, maximaal voor 2 dagen waarop gewoonlijk arbeid wordt verricht. Dit kraamverlof wordt opgenomen binnen een tijdvak van vier weken te rekenen vanaf de eerste dag na de geboorte van het kind; bij ernstige ziekte van echtgenoot of geregistreerd partner, ouder, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief- en aangehuwde kinderen; op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken. Behoudens in dringende gevallen moet het verlof tenminste 24 uren tevoren worden aangevraagd bij het college. Indien de ambtenaar die niet vooraf een aanvraag daartoe heeft gedaan ten genoegen van het college kan aantonen dat hij daartoe geen gelegenheid heeft gehad en dat er voor zijn afwezigheid gegronde redenen bestonden, wordt deze geacht verlof met behoud van bezoldiging te hebben genoten.

Rechtspraak bij dit artikel