Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3:6

Reserves en vermogen

Onderdeel van Algemene subsidieverordening 2013

1.. Het vormen van reserves en/of vermogen is toegestaan indien dit het doel heeft de vervanging van goederen dan wel kapitaalinvesteringen mogelijk te maken. De hoogte van het bedrag is, ongeacht de herkomst, onderworpen aan voorafgaande goedkeuring van het college, dat hierbij nadere regels hanteert. 2.. Het vormen van reserves en/of vermogen is toegestaan indien deze worden gegenereerd en gereserveerd ten behoeve van maatschappelijke activiteiten, in overeenstemming met doelstellingen van gemeentelijk beleid. 3.. Het college hanteert nadere regels bij de beoordeling van reserve- en vermogensposities, als bedoeld in het tweede lid en gegeven artikel 2:3 lid 1, ongeacht hun totstandkoming, bij de verlening of weigering van subsidie. 4.. Bij het besluit tot subsidieverlening kan een instelling worden verplicht om een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in artikel 4:72 Awb. 5.. Het is een instelling toegestaan om, los van reserve- of vermogensvorming als bedoeld in het tweede lid, specifiek benoemde bestemmingsreserves of financiële voorzieningen te vormen, voor zover dit bij de aanvraag om subsidie wordt aangegeven en planmatig door de aanvragende instelling wordt onderbouwd. 6.. Het college kan in het besluit tot subsidieverlening of in de uitvoeringsovereenkomst ingevolge artikel 4:36 Awb (beperkende) voorwaarden verbinden aan het vormen van bestemmingsreserves en financiële voorzieningen. 7.. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb is de instelling aan het college een vergoeding verschuldigd, welke bij afzonderlijke besluitvorming wordt vastgesteld. 8.. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag waarmee subsidiëring door het college heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen. 9.. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de economische waarde van de eigendommen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag, dat als schadevergoeding door de instelling is ontvangen. Indien het een onroerende zaak betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen. 10.. Het college kan op een daartoe strekkend verzoek besluiten dat geen vergoeding is verschuldigd, indien de activiteiten of werkzaamheden van de instelling worden overgenomen en voortgezet door een rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling, en de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen. 11.. Ingeval sprake is van ontbinding van een rechtspersoon die subsidie heeft ontvangen, dan wel, naar het oordeel van het college, kennelijke beëindiging van de activiteiten en indien de instelling naar het oordeel van het college niet in staat is de eventueel resterende gelden of (on)roerende zaken overeenkomstig de doelstelling van de instelling aan te wenden, wordt het positief liquidatiesaldo bij voorrang ter beschikking gesteld van de gemeente Den Helder, indien een eventueel batig saldo van de door een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid Burgerlijk Wetboek opgestelde (liquidatie)rekening dit toelaat. 12.. Het college kan bij nadere regel afwijken van het bepaalde in het eerste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel