Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 18

Citeertitel

Onderdeel van Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

Deze verordening wordt aangehaald als “Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ, Bbz 2004”. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 11 april 2013, griffier, De voorzitter, ALGEMENE TOELICHTING Rechten en plichten in de WWB De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. Het nieuwe artikel 18a WWB voorziet in het opleggen van een boete bij het niet nakomen van de inlichtingenverplichtingen. Maatregelen als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichtingen komen dus niet meer terug in deze verordening. Nieuw is daarentegen een artikel, gericht op het opleggen van een maatregel wanneer een belanghebbende zich meldt bij de gemeente omdat zijn voorliggende voorziening via UWV, SVB etc. niet tot uitbetaling komt in verband met een 100% boete en volledige verrekening met het recht op bijvoorbeeld de WW van het UWV als gevolg van het niet verstrekken van inlichtingen. Dit is opgenomen in artikel 12 van deze verordening. Wanneer het dagelijks bestuur tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het dagelijks bestuur af van een dergelijke verlaging. Het dagelijks bestuur moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het dagelijks bestuur kan dan ook van een verlaging afzien indien het dagelijks bestuur daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden. Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld inlichtingenfraude). Het beginsel van ‘ne bis in idem’ staat daaraan in de weg. Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Sinds 1 juli 2010 heeft het dagelijks bestuur de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAZ). Wijzigingen per 1 januari 2013 Tot 1 januari 2013 moesten gemeenten in de Afstemmingsverordening maatregelen opnemen voor zowel het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting als de medewerkingsverplichting. Het Rijk is echter van mening dat overtredingen van de inlichtingenverplichting door belanghebbenden zwaarder bestraft moeten worden dan tot nu toe gebeurd. Daarom treedt op 1 januari 2013 de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving in werking. In deze wet zijn voor wat betreft het aandachtsgebied Sociale voorzieningen artikelen ingevoegd dan wel gewijzigd in de WWB, de IOAW en de IOAZ. Deze ingevoegde of gewijzigde artikelen betreffen allen de invoering van de bestuurlijke boete bij het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting en de hieruit voortvloeiende gevolgen. Dit betekent dat het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting niet langer opgenomen hoeft te worden in de Afstemmingsverordening. Wij moeten daarentegen juist wel een maatregel gaan beoordelen ten aanzien van personen, van wie de voorliggende uitkering niet tot uitbetaling komt als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichtingen ten aanzien van die voorliggende voorziening. Daarnaast is de gemeente nu verplicht een verordening te maken met betrekking tot het sanctioneren van recidive in geval van het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting. Deze nieuwe verordening wordt tezamen met de aangepaste Afstemmingsverordening aangeboden. Tenslotte moeten de beleidsregels terugvordering aangepast worden aan de gewijzigde wetgeving. Overigens zal de Afstemmingverordening in 2013 naar verwachting opnieuw aangepast moeten worden. Naar alle waarschijnlijkheid treden op 1 juli 2013 de Wet huisbezoeken en de Wet beheersing Nederlandse taal in werking. Dit heeft directe gevolgen voor de Afstemmingsverordening. Deze verordening wordt later dan 1 januari 2013, de ingangsdatum van de aangepaste WWB en de wet Boete bij recidive, vastgesteld. Desgevraagd geeft Stimulansz hierop als antwoord: Het is geen probleem dat de verordening later wordt vastgesteld. De maatregelenverordening is vanaf 1 januari 2013 op onderdelen in strijd met hogere wetgeving. Het gevolg daarvan is, dat de maatregelenverordening voor deze onderdelen onverbindend is. Door de komst van de bestuurlijke boete is een maatregel opleggen wegens schending van de inlichtingenplicht niet meer mogelijk als de overtreding van deze plicht is begaan na 1 januari 2013, ook niet als dit in de maatregelenverordening staat. Het niet vaststellen van de verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive heeft enkel tot gevolg dat in geval van recidive de beslagvrije voet niet buiten werking kan worden gesteld. Deze zal volledig in acht genomen moeten worden. Aangezien het voor het buiten werking stellen van de beslagvrije voet noodzakelijk is dat een tweede boete op grond van de wet aanscherping handhaving is opgelegd, zal dit niet vaak voorkomen begin 2013. Zowel de eerste als de tweede gedraging moet namelijk in 2013 hebben plaatsgevonden. Om die reden is geen groot risico verbonden aan het te laat vaststellen van de gewijzigde verordening. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel