De gezagvoerder van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen:
dat geen onderdelen van het staand tuig van het vaartuig naar buiten uitsteken
dat de zeilen zijn vastgemaakt;
dat de ankers zodanig zijn geborgd, dat daardoor andere vaartuigen niet kunnen worden beschadigd, of zodanig in de kluis hangen, dat in geval van aanvaring niet nabij of onder de waterlijn in enig ander vaartuig kunnen binnendringen;
dat ankers of ankerkettingen niet zodanig uitstaan, dat deze hinder of schade kunnen veroorzaken aan andere vaartuigen of eigendommen van derden;
dat zich langs het berghout of aan een stootklos of zwaard van zijn vaartuig geen buiten het vaartuig uitstekende metalen pinnen, bouten of andere puntige voorwerpen bevinden.
Hoofdstuk II › Paragraaf
Artikel 14
Uitstekende voorwerpen
Onderdeel van Verordening op het gebruik van de openbare havens en binnenwateren