In deze verordening wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, opgaand gewas zowel levend als
afgestorven, met een diameter van de stam van minimaal 10
centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van
meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere
houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout,
een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en
struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een
heg.
beschermde houtopstand: bijzondere beschermwaardige houtopstand
met een bijzondere leeftijd, schoonheid- of zeldzaamheidswaarde
of een bijzondere functie voor de omgeving en daarom is
opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 12 van deze
verordening.
vellen: rooien; kappen; verplanten; het ingrijpend snoeien van
de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het
verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de
dood, de ernstige beschadiging of de ernstige ontsiering van de
houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
boomwaarde: de waarde van een boom, uitgedrukt in geld, zoals
getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse
Vereniging van Taxateurs van Bomen.
bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen
van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van
landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet.
dunning: een selectieve velling die dient als
onderhoudsmaatregel ter bevordering van de overblijvende
houtopstand en/of onderbeplanting.
gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke,
overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
vormt.
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
metaal of ander materiaal die op plaats van bestemming hetzij
direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct
of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
plaatse te functioneren.
herplantfonds: fonds waar gelden in worden gestort ten gevolge
van een opgelegde financiële herplantplicht ex artikel 10, lid 3
en 4.