Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Grondslag en wijze van berekening van de subsidie

Onderdeel van Verordening structurele subsidies peuterspeelzaalwerk 2009

1.. Aan een instelling wordt een jaarlijkse subsidie verstrekt in de kosten van personeel, huisvesting, organisatie en activiteiten. 2.. Bij de berekening van de subsidie in de personeelskosten wordt uitgegaan van het Functieboek CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening. 3.. Bij de berekening van de subsidie in de personeelskosten wordt ervan uitgegaan dat: het aantal uren van een uitvoerende functie ten hoogste 4,0 per dagdeel per peutergroep bedraagt; een functionaris in een uitvoerende functie wordt aangesteld als peuterspeelzaalleidster 1; het aantal uren van een leidinggevende ten hoogste 0,75 per dagdeel van het totaal aantal peutergroepen bedraagt; een functionaris die een leidinggevende taak vervult maximaal kan worden aangesteld als peuterspeelzaalleidster 2; per instelling maximaal 1 functionaris met een leidingevende taak wordt gesubsidieerd; de berekening betrekking heeft op een periode van maximaal 45 weken per jaar bij een openstelling van maximaal 40 weken per jaar. 4.. Bij de berekening van de subsidie in de kosten van huisvesting, organisatie en activiteiten wordt uitgegaan van een gemaximeerde bijdrage. Hierbij wordt jaarlijks niet meer dan een trendmatige verhoging toegestaan. Deze verhoging bedraagt maximaal het in de gemeentebegroting gebruikte indexcijfer. 5.. Bij de vaststelling van de hoogte van de in lid 4 genoemde gemaximeerde kosten wordt uitgegaan van de kosten die bij de subsidieverlening 2009 als grondslag dienden. In het geval sprake is van een eerste aanvraag is de vaststelling van de hoogte van de in lid 1 genoemde kosten ter beoordeling van burgemeester en wethouders. 6.. In bijzondere gevallen, dit ter beoordeling van burgemeester en wethouders, kan een andere subsidiegrondslag worden toegepast.

Rechtspraak bij dit artikel