1.
Het is verboden beschermde houtopstand te vellen of te
doen vellen.
2.
Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het
eerste lid gestelde verbod.
3.
Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens
ontheffing geldt eveneens voor:
a. houtopstand die is aangelegd op basis van een
herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de
artikelen 8 en 9 van deze verordening;
b. houtopstand die is aangelegd op grond van een
overeenkomst met een publiekrechtelijk
bestuursorgaan.
4.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet
voor:
a. houtopstanden, die aantoonbaar op bosbouwkundige of
bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd als
bedoeld in artikel 15 lid 2 en 3 van de Boswet;
b. een beschermde houtopstand die moet worden geveld
krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een
aanschrijving van het college van Burgemeester en
Wethouders, zulks onverminderd het bepaalde in de
artikelen 9 en 10 van deze verordening;
c. het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van
het reguliere onderhoud;
d. het periodiek knotten of kandelaberen als
noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen,
gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het
regulier onderhoud.