Lid 1
Medewerkers welke tot de ingangsdatum van deze regeling een variabele vergoeding op declaratiebasis ontvangen voor de reiskosten woonwerkverkeer op basis van individueel vastgelegde afspraken, kunnen aanspraak maken op een afbouwregeling.
Lid 2
De afbouwvergoeding wordt toegekend als:
de verlaging van de vergoeding tenminste 3% bedraagt van de bezoldiging, en
de medewerker de vergoeding op declaratiebasis gedurende tenminste 2 jaar heeft ontvangen.
Lid 3
De afbouwvergoeding wordt niet toegekend als de medewerker een volledige vergoeding of een OV-vervoerbewijs ontvangt op grond van artikel 2 lid 1 of lid 2 van deze regeling.
Lid 4
De berekeningsbasis voor de afbouwvergoeding als bedoeld in lid 1 en 2 wordt vastgesteld op het bedrag dat de medewerker gemiddeld per maand heeft ontvangen over twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de maand waarin de vergoeding voor reiskosten woon-werkverkeer is beëindigd dan wel verminderd.
Lid 5
De uitkeringsperiode van de afbouwvergoeding is maximaal een vierde gedeelte van de tijd dat de medewerker de vergoeding heeft ontvangen. De uitkeringsperiode is maximaal drie jaar. In overleg met de medewerker kan een kortere uitkeringsperiode worden overeengekomen.
Lid 6
De hoogte van de afbouwvergoeding wordt bepaald door de uitkeringsperiode in drie gelijke delen te splitsen, waarbij afronding naar boven plaatsvindt op een hele maand. Gedurende de drie deelperioden bedraagt de aflopende toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% van de berekeningsbasis.
Hoofdstuk
Artikel 6
Overgangsmaatregel 1: afbouwregeling
Onderdeel van Regeling reiskosten Woon- werkverkeer 2010