Naar hoofdinhoud

Artikel 6 Zittingsperiode en vacatures

Artikel 6 Zittingsperiode en vacatures

Onderdeel van Verordening op de raadscommissies 2013

1.. De zittingsperiode van een lid, de voorzitter en hun plaatsvervangers eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad. 2.. Een lid en zijn plaatsvervanger houden op lid te zijn van een raadscommissie indien zij niet meer voldoen aan de in artikel 4, derde lid, gestelde eisen. 3.. De raad kan de voorzitter of zijn plaatsvervanger ontslaan. 4.. De voorzitter en zijn plaatsvervanger kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als hun opvolger is benoemd. 5.. Bij een tussentijdse vacature, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan met inachtneming van artikel 5. 6.. Indien een fractie blijkens een schriftelijke verklaring aan de voorzitter van de raad niet langer vertegenwoordigd is in de raad, vervalt het lidmaatschap van het lid dat op voordracht van de fractie is benoemd, van rechtswege.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel