Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating

Onderdeel van Beleidsregels voor scholingsplicht jongeren Wwb en de inkomstenvrijlating Wwb, IOAW, IOAZ

De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n Wwb, artikel 8, tweede lid IOAW en artikel 8, derde lid IOAZ, wordt één maal per bijstand- of uitkeringsperiode toegekend. Als dezelfde bijstand- uitkeringsperiode wordt aangemerkt: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van de onderbreking; de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente reeds werd verstrekt; de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet. Indien de nieuwe bijstandsperiode minder dan zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating. In de situatie als beschreven in het tweede en derde lid, herleeft het oude recht op inkomstenvrijlating, voor zover nog aanwezig. 5 Klanten met een uitkering Wwb, IOAW, IOAZ op 31 december 2011 hebben alleen een nieuw recht op de inkomstenvrijlating zoals is opgenomen in het eerste, tweede, derde en vierde lid van artikel 3 van deze beleidsregels, als er sprake is van uitbreiding van de huidige inkomsten of geheel nieuwe inkomsten. Dit is conform de “Beleidsregels Wwb, IOAW, IOAZ 2012”. Algemene toelichting artikel 3 De formulering van de wettelijke bepaling is zodanig, dat ruimte voor interpretatie bestaat over het aantal maal dat de vrijlating kan worden toegepast: de formulering dat de vrijlating voor maximaal zes maanden aaneengesloten wordt toegepast, duidt op eenmaligheid, maar herhaling van de vrijlating is formeel niet uitgesloten. Toelichting artikel 3 eerste lid Bij eenmalig kan gedacht worden aan de volgende opties; per keer dat werk is aangevangen per jaar per uitkeringsperiode (dus zo veel maal als – na een onderbreking - een afzonderlijk recht op uitkering wordt vastgesteld) absoluut, eenmaal tijdens het leven van belanghebbende Gekozen wordt voor een pragmatische oplossing, namelijk per bijstandsperiode. Dit is een goed uitvoerbare keus en zal de klant bij iedere bijstandsperiode gestimuleerd worden om te gaan werken. Toelichting artikel 3 tweede, derde en vierde lid De bijstandsperiode kan om diverse redenen worden onderbroken. De onderbrekingen die niet te maken hebben met het aanvaarden van arbeid zijn geen reden om nieuw recht te geven op een inkomstenvrijlating. Een aantal mogelijkheden zijn in dit artikel opgenomen. Het derde lid geeft aan dat er bij een korte uitstroom (minder dan zes maanden) ook geen nieuw recht is op een inkomstenvrijlating. Als er nog recht bestond op inkomstenvrijlating kan dit recht wel worden volgemaakt. Toelichting artikel 3 vijfde lid Onze gemeente had tot 1 januari 2012 beleid voor het verstrekken van activeringspremies waaronder ook een premie voor parttime inkomsten. Voor de klanten die een uitkering hebben op 31 december 2011 moet daarom een overgangsbepaling worden opgenomen. Deze klanten krijgen alleen een nieuw recht vanaf 1 januari op de inkomstenvrijlating als er sprake is van nieuwe inkomsten of uitbreiding van de huidige inkomsten. Dit is beschreven in de “beleidsregels Wwb, IOAW en IOAZ 2012”

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel