Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 1, komen alleen in aanmerking de lessen, welke:
worden gevolgd door ten minste 10 leerlingen per groep; waarvan de ouders etc. aan het begin van het schooljaar hebben verklaard, dat zij voor hun kind godsdienst- of vormingsonderwijs verlangen;
worden gegeven door godsdienst- of vormingsleraren, die verbonden zijn aan de in artikel 1 bedoelde instellingen en naar het oordeel van burgemeester en wethouders de bevoegdheid bezitten, welke voor het geven van godsdienst- of vormingsonderwijs vereist is.