Lid 1.
Het college kan een besluit, genomen op grond van deze of de hieraan voorafgaande Verordeningen, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:
niet of niet volledig meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze Verordening, dan wel de voorafgaande Verordeningen, geldend op het moment waarop de beschikking voor de betreffende voorziening is afgegeven;
beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.
de belanghebbende is verhuisd naar een andere gemeente, is overleden of er andere wijzigingen in de noodzaak voor het gebruik van de voorziening hebben plaats gevonden.
Lid 2.
Een besluit tot verlening van een naturavoorziening, een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken indien blijkt dat het budget of de tegemoetkoming binnen drie maanden na uitbetaling niet of niet volledig is aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
Lid 3.
In afwijking van het gestelde in het voorgaande lid kan een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien dit persoonsgebonden budget binnen het kalenderjaar waarover het verstrekt is, niet of niet volledig is besteed conform de verstrekkingsvoorwaarden bij of krachtens deze verordening.