Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 3

Instandhoudingbepaling

Onderdeel van Archeologieverordening gemeente Drimmelen

1.. Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders het archeologische bodemarchief in archeologisch waardevol gebied; terreinen van hoge archeologische waarde en de archeologische verwachtingszones (hoog, middelhoog en laag) zoals aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen te verstoren, te beschadigen of te vernielen, als beschreven in artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2.. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing: in Archeologisch waardevolle gebieden als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder maaiveld en/of bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 100 m²; in Archeologische verwachtingszone: Hoog als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder maaiveld en/of bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 100 m²; in Archeologische verwachtingszone: Middelhoog als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen bij bodemingrepen die minder diep gaan dan 50 cm onder maaiveld en/of bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 1000 m²; bij bodemingrepen die niet vallen onder de mer-plicht of een omvang hebben van minder dan 50.000 m² in Archeologische verwachtingszone: Laag als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart van de gemeente Drimmelen; bij normaal onderhoud; bij de aanleg van drainage, met dien verstande dat voor de aanleg van drainage in archeologisch waardevolle gebieden wel archeologisch onderzoek en een vergunningsaanvraag vereist zijn; indien een archeologisch onderzoeksrapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van de bevoegde overheid in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd;of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn; indien kan worden aangetoond dat in het gebied reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan het te verwachte archeologische niveau. 3.. Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien: Wordt gehandeld in overeenstemming met de bepalingen in het geldende bestemmingsplan voor zover de bepalingen die hierin zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg in overeenstemming zijn met deze verordening; er sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en er voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg. 4.. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige leden moet het totaal van de bodemingrepen die plaatsvinden binnen een tijdsbestek van 1 jaar op hetzelfde kadastrale perceel, gerekend worden met het totaal van de bodemingrepen en moet niet iedere ingreep afzonderlijk worden beoordeeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel