In aanvulling op de in hoofdstuk 1 opgenomen begripsomschrijvingen, wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:
1.Inboedel:Alle roerende zaken in het schoolgebouw behorende tot het onderwijsleerpakket,
inclusief automatiseringsapparatuur, met uitzondering van:
Geld, waardepapieren, betaalcheques en betaalkaarten;
Onbewerkte edele metalen, ongezette edelgesteenten;
c.Motorrijtuigen, fietsen of bromfietsen, aanhangwagens en vaartuigen, alles met inbegrip van losse onderdelen en accessoires, tenzij deze zaken voorafgaand aan de schade door het bevoegd gezag schriftelijk zijn aangemeld bij de gemeente;
d.Bont, sieraden waaronder horloges, kunstvoorwerpen, collecties, voorwerpen van zeldzaamheidswaarde;
e.Speeltoestellen op niet openbaar toegankelijke schoolterreinen;
f.Automatiseringsapparatuur aanwezig binnen de school ouder dan drie jaar en niet bevestigd aan een wand of plafond conform de daarvoor geldende voorschriften.
2.Nieuwwaarde:Het bedrag benodigd voor het verkrijgen van nieuwe zaken van dezelfde soort en
kwaliteit.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Nadere regels voorzieningen huisvesting onderwijs