Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2

intrekkingsregeling bij onherroepelijkheid van meer dan 26, doch minder dan 104 weken

Onderdeel van Beleidsregel Intrekken omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wegens tijdsverloop 2010

1.. Conform het bepaalde in artikel 2.33 aanhef en onder a Wabo is het bevoegd gezag bevoegd om een verleende omgevingsvergunning in te trekken indien gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. 2.. Indien zich geen urgente en zwaarwegende planologische belangen voordoen zal van voornoemde bevoegdheid eerst gebruik worden gemaakt na 104 weken na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning. 3.. Onder “urgente en zwaarwegende planologische belangen” zoals bedoeld in het tweede lid wordt in het licht van deze beleidsregel verstaan: een situatie waarbij voor het gebied waarbinnen het vergunde object is gesitueerd een bestemmingsplan in ontwikkeling is genomen, en waarbij ten minste sprake is van een ontwerp-bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening ter inzage is gelegd en overeenkomstig de wettelijke eisen is gepubliceerd, en het vergunde bouwwerk een ongewenste frustratie van dat toekomstig planologisch kader inhoudt. 4.. Teneinde te bepalen of er in een concreet geval sprake is van een “urgent en zwaarwegend planologisch belang” wordt door het cluster “Vergunningen” informatie ingewonnen bij het cluster “juristen Ruimtelijke Ordening” van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. 5.. De procedure als bedoeld in artikel 3.15 Wabo is onverkort op een intrekking op basis van deze beleidsregel van toepassing. 6.. Eerst na overleg met het cluster “juristen Ruimtelijke Ontwikkeling” van de afdeling Ruimtelijke Ordening wordt bezien of een binnen de artikel 3.15 Wabo-procedure ingediende zienswijze aanleiding geeft tot het gunnen van een nadere termijn waarbinnen van de vergunning gebruik moet zijn gemaakt. Op deze overweging is het bepaalde in artikel 4 van toepassing. 7.. De nadere termijn als bedoeld in het vorige lid wordt naar redelijkheid en in het licht van het concrete geval bepaald, maar zal nimmer langer zijn dan 156 weken na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel