1De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel a, moet overeenkomstig de
aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
2 In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting
overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen twee maanden na het
einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het inloggen op
de centrale computer.
3 De belasting bedoeld in artikel 10, onderdeel b, moet overeenkomstig
de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt
verleend.
4 Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.
AFDELING V.
Artikel 15
Termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting 2013