1.Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een rapport is overlegd
waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van
burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:
het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of
de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of
in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van
werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument of
archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke archeologische
beleidskaart:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van inventariserend veldonderzoek en/of een opgraving;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
De gevraagde omgevingsvergunning kan worden geweigerd, indien de archeologische
waarden die in het geding zijn naar het oordeel van het college in situ behouden dienen
te blijven.
4.Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die in overeenstemming met
artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen als beschermd archeologisch
(rijks)monument.
Hoofdstuk 5.
Artikel 18
Vergunning archeologische verwachtingsgebieden
Onderdeel van Erfgoedverordening gemeente Laarbeek 2013