1. Voor alle aan de Omgevingsdienst opgedragen taken brengt het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de gemeenten of de provincies te ontvangen bijdragen en andere financiële middelen die naar verwachting kunnen worden aangewend.
De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.
De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht.
Ten laste van de Omgevingsdienst kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.
Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.