Het college legt een maatregel op als belanghebbenden een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
het bestaan hebben betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
wet, waardoor belanghebbenden een beroep moeten doen op bijstand dan wel
eerder of langer een beroep moeten doen op bijstand. Daarbij worden de
volgende categorieën onderscheiden:
Eerste categorie:
niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
tot stand te brengen;
Tweede categorie:
het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;
het te snel interen van vermogen dat meer bedroeg dan de
toepasselijke vermogensgrens;
onderbedeling bij echtscheiding;
te late of geen aanvaarding van een voorliggende
voorziening;
het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
geaccepteerde arbeid;
het door eigen schuld verliezen van het recht op een
sociale zekerheidsuitkering;
het feitelijk niet kunnen beschikken over een
voorliggende voorziening omdat een bestuurlijke boete
daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de
beslagvrije voet vanwege recidive;
bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
toegekende alimentatie;
het niet hebben van een op grond van de
Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering;
overige gedragingen die als een tekortschietend besef
van verantwoordelijkheid in de voorziening van het
bestaan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 18,
tweede lid, van de wet, waardoor belanghebbenden een
beroep moeten doen op bijstand dan wel daar eerder of
langer een beroep op moeten doen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 11.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand 2013