Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, in
een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten
minste twee ordeverstorende gedragingen heeft begaan en/of
gedurende die periode twee verblijfsontzeggingen heeft
gekregen, is verplicht zich terstond uit dat gebied te
verwijderen en zich gedurende een door de burgemeester
bepaald tijdvak van tussen de 48 uur en 4 weken en tussen de
genoemde tijden, niet in dat gebied te bevinden nadat de
burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft
gegeven.
Onder ordeverstorende feiten of feiten die (ernstige vrees
voor) verstoring van de openbare orde kunnen veroorzaken,
worden onder meer begrepen:
aantreffen, gebruik en handel in drugs;
bedreiging met geweld; eenvoudige/zware
mishandeling;
openlijke geweldpleging en aantreffen/gebruik
wapen.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste
lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na
het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij
zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het tweede lid
genoemde feiten, een verbod opleggen om zich gedurende een
nader te bepalen periode van 4 weken tot 3 maanden te
bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben
plaatsgehad.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 15
Artikel 2:76b
Gebiedsontzeggingen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 2012