Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:
betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de CAR die binnen een termijn van drie maanden na indiensttreding schriftelijk te kennen heeft gegeven te willen verhuizen;
woonplaats: de gemeente of het bij name genoemde deel daarvan, waar de belanghebbende metterwoon is gevestigd;
plaats van tewerkstelling: de gebruikelijke ingang van het gebouw, gebouwencomplex, terrein of vaartuigen waar de belanghebbende gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht, dan wel, indien de uitoefening van het ambt zich uitstrekt over een ambtsgebied, de door het bevoegde gezag aangewezen plaats;
gezinsleden: de echtgenoot of geregistreerd partner van de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen van de betrokkene en/of van de echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover zij samenwonen;
eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde gezag;
berekeningsbasis: het twaalfvoud van de bezoldiging - in de zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd met:
genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of een genoten werkloosheidsuitkering krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;
genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9 of het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering:
genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het pensioenreglement;
berekeningstijdstip:
1e datum waarop de betrokkene verhuist;
2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van de functievervulling;
3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum waarop laatstelijk bezoldiging werd genoten;
verplaatsen en verplaatsing: verhuizen of verhuizing in opdracht van of met toestemming van het college in het belang van de dienst;
levenspartner: degene met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont, hetgeen blijkt uit een notarieel samenlevingscontract.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.